Thuis is Europa

De eurocrisis woelt oude vragen over nationale en Europese identiteit los. Aan de vooravond van verkiezingen zondag in Frankrijk en Griekenland reist Hans Steketee langs drie provinciesteden. In Thessaloniki, Metz en München peilt hij hoe de verhouding tot de hoofdstad en de Europese Unie is veranderd. „Europa was ook een manier om de spoken van ons verleden te ontvluchten.”

Visitors look at the Cathedral during a visit of the Centre Pompidou-Metz museum in the eastern city of Metz May 10, 2010. The offshoot of the Pompidou Centre will open on May 12, giving a lift to a struggling region and joining a global trend towards big museum "brands". The new centre in Metz will draw on the more than 65,000 works held by the Musee National d'Art Moderne at the main Pompidou Centre in Paris, one of the largest collections of modern and contemporary art in Europe. REUTERS/Benoit Tessier (FRANCE - Tags: ENTERTAINMENT) REUTERS

Aan de boulevard langs de baai, bij de witte kasteeltoren die het silhouet van de stad bepaalt, waait loungemuziek over de terrassen. Jong en rijk Thessaloniki drinkt ijskoffie uit hoge glazen. Crisis, what crisis? In een koele zaal, even verderop, repeteren acteurs onder tl-buizen een scène uit To megálo mas tsírko.

„Gezocht! Een nieuwe koning voor een arm land!”, schalt de stadsomroeper. Maar wat voor koning zoeken we eigenlijk, willen de omstanders van hem weten. „Moet hij opnieuw uit een ander land komen? Of mag het dit keer een Griek zijn?”

Ons grote circus, van Iakovos Kambanellis, is niet zomaar een toneelstuk. Het werd voor het eerst uitgevoerd tijdens het militaire bewind. Tegenover de heroïsche Griekse geschiedenis die de kolonels graag zagen, durfde Kambanellis in 1973 een eigen, linkse versie te zetten. Met een hoofdrol voor verraad en corruptie. Zijn ‘prentenboek’ van historische scènes, waarin klucht, tragedie, muziek, dans en folklore elkaar afwisselen, brak alle bezoekersrecords en werd een symbool van links verzet.

„En het is nog net zo actueel”, zegt Sotiris Hatzakis, artistiek leider van het Nationaal Theater van Noord-Griekenland en regisseur van het stuk. Koning gezocht – het slaat op het gedwongen vertrek van de Beierse prins die als koning Otto in de negentiende eeuw Griekenland een tijdje mocht regeren van Frankrijk en Engeland. Maar het is moeilijk de parallellen met vandaag te missen. Nemen de Grieken hun lot in eigen hand, en staan ze in voor de gevolgen? Of laten ze, zoals zo vaak, de gebeurtenissen over zich heen komen? Wie het handig speelt, hoeft daar niet eens slechter van te worden.

„Sommige personages zijn opportunisten, andere geven iets van zichzelf op uit liefde voor Griekenland”, zegt Hatzakis. „Dit stuk toont dat we de toekomst alleen aankunnen door de confrontatie met ons verleden aan te gaan.”

Drie landen, drie steden

Thessaloniki, eerste etappe in een korte reis langs drie Europese steden. Daarna Metz, in het noordoosten van Frankrijk, niet ver van de Duitse grens. En als derde München, hoofdstad van de Duitse deelstaat Beieren.

Waarom deze drie landen? Griekenland houdt zondag cruciale parlementsverkiezingen. De uitslag bepaalt vermoedelijk of het land, voorlopig, binnen de euro kan blijven. Frankrijk gaat dezelfde dag naar de stembus, voor de laatste ronde in de parlementsverkiezingen. Die kunnen president François Hollande aan een linkse meerderheid helpen. Zowel in Griekenland als in Frankrijk is het derde land, Duitsland, levensgroot aanwezig. Voor veel Grieken zijn de duimschroeven die ‘Europa’ heeft aangedraaid van Duitse makelij. In Frankrijk krijgt Hollande mogelijk meer armslag, maar Duitsland bepaalt de internationale reikwijdte daarvan. Als de euro te redden is, dan alleen met drastisch politiek ingrijpen. Dan moeten de twee grondleggers van de muntunie, al eeuwen tot elkaar veroordeeld, elkaar opnieuw ergens halverwege vinden.

Duitsland heeft zijn eigen historische ballast. Maar hoe de enige Europese supermacht die macht durft aan te wenden is bijna zeventig jaar na de Tweede Wereldoorlog nog steeds een open vraag. Verkiezingen of niet, in drie landen staat hun complexe verhouding tot Europa op het spel.

Dilemma

De gevestigde Griekse partijen beloven meer bezuinigingen in ruil voor doordruppelend krediet. Maar wie van de ene op de andere dag zijn pensioentje gehalveerd ziet worden en niet langer terecht kan in het ziekenhuis heeft weinig te verliezen. Misschien slaan de Grieken zondag scherp linksaf. Uit woede over de „nazidictaten” van Europa. En over hun eigen politici, die de schuld lieten oplopen, en het geld hebben verkwist of gestolen.

De schuldencrisis heeft het vertrouwen vernietigd in hun systeem, dat de corruptie en het cliëntelisme nooit heeft afgeschud maar oude tegenstellingen tussen links en rechts wel afdekte. Die komen nu onder het tapijt vandaan. De vorige uitslag, met grote winst voor radicaal-links en extreem-rechts, toont hoezeer het midden aan scherven ligt.

Als het radicale blok Syriza wint en het ‘reddingsakkoord’ opzegt, lijkt een euro-exit aanstaande. Dat is paradoxaal genoeg wat een meerderheid van de Grieken evenmin wil. En niet alleen uit vrees voor nog meer chaos. Door lid te worden van de Europese club, beloofde Griekenland zichzelf opnieuw uit te vinden als moderne democratie. Het lag weliswaar geografisch aan de periferie, maar cultureel in het hart van Europa. Tel even het aantal woorden met Griekse wortels in de regels hierboven. „Europa is een Griekse uitvinding”, vertelde een vrouw in Thessaloniki. „Van ‘evro’ dat ‘wijd’ en ‘opi’ dat ‘blik’ betekent. Europa wil zeggen: ik heb een visie.”

Geen harder bewijs dat die visie niets heeft opgeleverd dan wanneer Griekenland de euro inwisselt voor de drachme. Veel Grieken vinden dat Europa zelf had moeten controleren wat er met zijn miljarden is gebeurd. Anderen zien daarin de bevestiging van een Grieks minderwaardigheidscomplex. „Het zit in onze natuur anderen de schuld te geven”, lacht Rena Molho, docent geschiedenis in Thessaloniki en Athene. „Wij zijn een land van drama queens, van Zorba’s. We gokken erop dat iemand op het laatste moment improviseert. Maar er zijn even geen leiders. Dus doen we pas iets als het vijf over twaalf is.”

Er is geen oplossing zonder pijn. Wat willen wij zijn? Euroland onder curatele of Balkanstaat – voor dat dilemma (Grieks woord!) staat Griekenland zondag.

Frankrijk geloofde lang dat het in Europa eerste viool zou blijven spelen, omdat Duitsland het ondanks zijn economische kracht niet durfde. Daarvoor hadden de Duitsers nog te veel nare herinneringen aan hun laatste experiment met een Europese leidersrol. Het Frans-Duitse partnerschap, kern van de Unie, werd juist een succes „omdat het de Franse zwakte en de Duitse kracht camoufleert”, wil het cliché. ‘Merkozy’ kon op het oog heerlijk samen dansen. Maar intussen zijn de verhoudingen verder verschoven. Frankrijk kan er niet meer op vertrouwen met politieke deals zijn gebrek aan economische macht te compenseren.

Frankrijk wil altijd graag dat Duitsland zijn economische gewicht in Europa gebruikt. Lees: betaalt. Maar het wensenlijstje dat Duitsland op zijn beurt op tafel legt, zoals een begrotingsunie, lijkt voor Frankrijk vooralsnog onbespreekbaar. Dat geldt ook voor hervormingen om de Franse economie draagkrachtiger te maken. „Het Europees Parlement bepaalt niet op welke leeftijd Fransen met pensioen gaan”, zei het Elysée vorige week nog.

De linkse meerderheid die zich aftekent verandert echter niet in één klap de Europese verhoudingen. „Duitsland is een goede buurman, waar we veel van kunnen leren”, zeggen ze nu in Metz. Maar de vraag blijft: kan Parijs echt leven met een sterk Duitsland dat zich daar niet voor schaamt?

Duitse pruttelgeluidjes

Na zijn blanco stem in de Veiligheidsraad over militaire interventie in Libië is Duitsland uitgelachen als das Riesenbaby der Weltpolitik. Als het erop aankomt maakt het grote Duitsland alleen pruttelgeluidjes; de erfenis van twee wereldoorlogen. Een belangrijk nevendoel van ‘het Europese project’ was voorkomen dat Duitsland ooit nog een gevaar kon worden. Dat vonden de Duitsers zelf ook. Het heeft ze timide gemaakt; bang voor zichzelf. Als ‘een gewillige Gulliver’ liet het land zich vastbinden in de Europese structuren.

De eurocrisis maakt de vraag acuut hoe lang Duitsland zijn „eurofiele zelfverloochening” volhoudt, zoals de Zwitserse Neue Zürcher Zeitung het noemde. Overal in Europa groeit anti-Europees sentiment, en in Duitsland neemt de kritiek op Merkels beleid toe. Dat kan ze zich, ook in de aanloop naar eigen verkiezingen, niet permitteren. Biedt ze Europa een streng Duitsland, of haar land ‘nog meer Europa’? Dat is haar dilemma.

Kortom: Ligt Griekenland wel in Europa? Hoe bang is Frankrijk eigenlijk voor Duitsland? En hoe bang is Duitsland zelf nog voor Duitsland?

Ik koos juist deze drie steden om te zien hoe het dagelijks leven eruitziet zonder de politieke abstracties van een hoofdstad. Maar ook: omdat het bijzondere steden zijn. Thessaloniki is weliswaar de tweede stad van het land, maar ‘provinciestad’ was nog niet zo lang geleden een goede omschrijving. Dat geldt ook voor Metz. München was altijd al een contrapunt voor Berlijn, maar vooral een curieuze factor in de regio. Globalisering en ‘Europa’ hebben de verhouding tot het centrum in deze drie steden radicaal veranderd. Fysiek en mentaal. Is de nationale hoofdstad nog steeds een eerste ijkpunt?

Thessaloniki werkt nauw samen met Duitse en Oostenrijkse steden, maar schaamt zich ook niet meer voor oude banden met Turkije en de Balkan. Metz wisselde in honderdvijftig jaar drie keer van nationaliteit. Dankzij de TGV is München daar nu niet veel verder dan Parijs. Staat de oorlog er nog tussen? In het thuishonk van BMW en Siemens ligt de horizon verder dan de landsgrenzen, maar München koestert vanouds zijn Beierse wortels. Juist daarom volgt de stad met argusogen de bewegingen van Angela Merkel in Brussel.

Drie steden, elk met hun erfenissen, littekens en trots. Thessaloniki heeft vier Starbucks-filialen, Metz nul, München twaalf. Een paspoort hoefde ik niet één keer te laten zien. Misschien zijn ze wel provinciesteden van Europa geworden.

Thessaloniki, een Griekse stad van gestolde tegenstellingen

Soms heb je geluk. Ik herken die man met dat gouden brilletje en de grijze stekeltjes in het vliegtuig van Wenen naar Thessaloniki! Zijn assistente doet al dagen ontwijkend over een gesprek met Yiannis Boutaris, de wijnbouwer die als partijloze burgemeester sinds 2011 Thessaloniki aan het opschudden is. Wat Europa van Griekenland gedaan probeert te krijgen – corruptie afschaffen, efficiënt besturen en de economie openen – doet Boutaris uit zichzelf in zijn stad die geen alternatieven meer had. „Het geld was op om nog stemmen te kopen”, zei hij eens. Dus moesten politici eindelijk iets gaan dóén.

Nu zit hij een paar stoelen verderop. Als hij langs loopt door het gangpad, weet ik het zeker. Op de rug van zijn hand zit een tattoo van een hagedis – een dier dat steeds van vel wisselt en ‘permanente vernieuwing’ symboliseert, heeft hij erover gezegd. De afspraak komt er.

„Ik kon burgemeester worden door taboes te breken en ik ben daar gewoon mee doorgegaan”, zegt Boutaris twee dagen later, ’s avonds laat in een nagenoeg uitgestorven stadhuis. De aartsconservatieve bisschop van Thessaloniki had in de campagne voor het burgemeesterschap lelijke dingen gezegd over immigranten. Boutaris noemde hem „een moedjahedien” en zei dat geestelijken geen politieke uitspraken horen te doen. „Zolang ik leef, zal jij geen burgemeester worden”, siste de bisschop terug. De microfoons stonden open. Boutaris won (op het nippertje).

Vrienden maken is niet zijn sterke punt. Volgens Boutaris kon de stad toe met de helft van de 4.500 ambtenaren. De gemeentereiniging wordt geprivatiseerd, en daarna is de haven aan de beurt. Hij haalde de bezem door het bestuur van de universiteit. Zijn voorganger staat binnenkort terecht voor de verduistering van miljoenen. Het is maar een greep.

Als Griekse stad is Thessaloniki nog jong: van 1912, toen het Ottomaanse Rijk de Balkan kwijtraakte. In de vijfhonderd jaar daarvoor was Salonica Turks. En een internationaal kruispunt, waar Spaans, Turks, Engels, Frans en Hebreeuws werd gesproken. De helft van de bevolking was joods, nazaten van Sefardische joden die in de vijftiende eeuw Spanje en Portugal waren ontvlucht. De Turken vertrokken. Een paar badhuizen, moskeeën en villa’s staan er nog. Eén ervan is het geboortehuis van Atatürk, vader van de seculiere republiek Turkije. In een andere huist nu het Goethe-instituut. Daar kunnen ze de toeloop voor het talenpracticum Duits nu niet aan, omdat zoveel jonge Grieken hun heil het liefst buiten Griekenland zoeken.

Het historische centrum, de joodse wijk aan de haven, werd in 1917 door brand verwoest. Daar staat nu Griekse nieuwbouw. Ook de joden vertrokken. Eerst naar kampen buiten de stadsmuren – in de nieuwe stad was geen plaats voor ze – en daarna naar de gaskamer. Over die episode zwijgt Griekenland liever. De universiteit is gebouwd op de ruïnes van het joodse kerkhof. De overdekte markt in het centrum, walhalla van groente en vis, heet Agora Modiano, naar de joodse architect, die de oorlog overigens overleefde. Er is een klein joods museum, met een wachthuisje voor de deur. Heel veel meer sporen zijn er niet. Salonica, City of Ghosts, heet Mark Mazowers biografie van de stad niet voor niets.

Dat verleden hielp Boutaris naar boven halen. Turkije mag de eeuwige Griekse rivaal zijn, hij organiseerde een directe vlucht naar Istanbul. Per jaar bezoeken nu 100.000 Turken de stad van hun grootouders. En Air Aegaen pendelt nu tussen Thessaloniki en Tel Aviv. Deze zomer begint Boutaris een campagne om studenten uit de hele Balkan naar zijn stad te halen.

Hij omringt zich met een kleine groep ambitieuze medewerkers die ervaring in het buitenland heeft opgedaan. Verzoeken over te stappen naar de landspolitiek wimpelt hij laconiek af. Zijn wijnbedrijf heeft hij overgedaan aan zijn kinderen. „Ik ben al 70”, zegt hij. „Een mooie wijn maken kost tien jaar.” Over twee jaar loopt zijn termijn af. Hij wil herkozen worden.

Europese functionarissen dragen hem op handen. Maar omgekeerd weigert hij zichzelf zonder meer Europeaan te noemen. „Voor Nederlanders of Duitsers ben ik een partner”, zegt hij. „Maar een Turk zie ik als broeder. Dat blijft zo.”

Griekenland was sinds 1961 aspirant-lid van de Europese Gemeenschap. Volgens premier Karamanlis, die er hard voor had gepleit bij kanselier Adenauer en president De Gaulle, was het „de vervulling van het Griekse lot in Europa”. Zo begon een periode van economische groei, maar door de burgeroorlog, de repressie van links in de jaren erna en onder de junta bleef het een land van gestolde tegenstellingen. Ook na het eind van de dictatuur in 1974 en onder de linkse premier Papandreou bleef die tweedeling intact. „Griekenland is na 1945 nooit een volwassen democratie geworden”, zegt Boutaris. „Europa bracht welvaart, maar het was ook een manier om de spoken van ons verleden te ontvluchten.”

Metz, het concept van twee culturen blijkt ingehaald

Hier ergens moet de zuurkoolgrens lopen, bedenk ik in de TGV tussen Parijs en Metz. Ten oosten van die lijn is de choucroute, via Sauerkraut en kapusta tot aan kapoesta stapelvoedsel. Ten westen ervan niet. Met Parijs als zuurkool-enclave, natuurlijk. De brasseries zijn meegenomen door Elzassers en Lotharingers, die het eeuwig touwtrekken tussen Duitsland en Frankrijk over hun geboortegrond zat raakten.

Misschien zijn zulke culturele grenzen – de siëstagrens is er ook een – wel de laatste van Europa, nu steeds meer andere grenzen wegvallen. De hogesnelheidslijn mindert geen vaart bij Hazeldonk-West. Pinnen in elke stad, Ryanair-retourtjes voor een tientje, en op elk zakje pinda’s van Malmö tot Madrid de boodschap dat het ‘mogelijk sporen van noten bevat’. Plus bijna zeventig jaar vrede (als je Belfast en Sarajevo even vergeet). Allemaal Europese verworvenheden die zo vanzelfsprekend zijn, dat ‘Europa’ steeds onzichtbaarder is geworden. Het zichtbare Europa is dat van ‘de regeltjes’, van het ‘crisisoverleg’ en de barrières van ‘Schengen’ – als je van buiten komt.

De TGV heeft sinds 2007 de psychologische geografie van Frankrijk en Duitsland veranderd. De Franse steden Metz, Nancy en Straatsburg liggen nu dichter bij Saarbrücken en Stuttgart dan in al die jaren dat ze deel uitmaakten van het Duitse Rijk.

De hele wijk in Bommelstein-architectuur rond het station van Metz, inclusief het station zelf, is aangelegd onder supervisie van keizer Wilhelm II. Duitsland annexeerde Lotharingen in 1871. Het zou hier nooit meer weggaan, was de boodschap. Haffner, Dirr, Kammer signeerden architecten hun zandstenen gevels. En onder de talloze bakkers van Metz is een Fischer, een Diedrich, een Kreicher. Sinds 1919 ligt Metz weer in Frankrijk. De Metzer Freies Journal heet sindsdien Le Républicain Lorrain. Maar het blijft Duitsland voelen.

Er is een gotische kathedraal. Op Chagalls gebrandschilderde ramen worstelt Jacob met zijn engel. Sinds kort is er nog een reden naar Metz te gaan. Het Parijse Centre Pompidou opende er een dependance, een groot model smurfenhuis, van binnen een wonder van licht en ruimte.

De tentoonstelling die er nu te zien is, heet 1917. Dat was het jaar waarin de Amerikanen zich in de vleesmolen van de Eerste Wereldoorlog stortten en die met zeker een jaar bekortten. Het was ook het jaar waarin Marcel Duchamp een urinoir ter expositie aanbood. Het werd een schandaal en het zette de kunst op zijn kop. Fountain, gesigneerd ‘R. Mutt’, was de eerste ready-made: kunst die kunst is omdat de kunstenaar het zegt.

De porseleinen fontein ligt in Metz in een vitrine. Een daad tegen goede smaak, tegen betekenis, en tegen oorlog. Bij zoveel vernietiging valt alleen antikunst te scheppen. Het adembenemende van 1917 is dat de militaria eromheen zo ook iets van een ready-made krijgen, als het ware tussen aanhalingstekens komen te staan. Een gehavende vliegtuigpropeller. Een mozaïek van granaatscherven. Sporen van een fosforbom in de nacht. Afgietsels van verminkte gezichten, studieobject voor plastisch chirurgen, naast de beelden van Rodin. ‘Olieverf op doek’, staat bij de talloze niemandslandschappen die er hangen. Bij een Stahlhelm met een groot gat erin staat: ‘Duitse helm, metaal en leer’. Ik weet niet of het de bedoeling van de makers is geweest, maar het onderstreept vooral hoe groot de afstand tot die oorlog is geworden. Zélfs in Metz.

Een jaar na 1917 was het voorbij. Al zou het nog een wereldoorlog kosten voordat Duitsland en Frankrijk zich verzoenden. In 1984 stonden Helmut Kohl en François Mitterrand hand in hand in Verdun. In Metz is een ouder symbool. Daar richtten beide landen in het kader van de rapprochement een paar jaar eerder Isfates op, een tweetalige universitaire opleiding voor studenten van weerszijden van de grens. Daar, en bij het zusterinstituut in Saarbrücken, kun je nu een master doen in management, IT en een bankopleiding, maar de school wil nadrukkelijk ook „de geest van het interculturalisme” bijbrengen. In de praktijk betekent het dat Franse studenten ontdekken dat Duitse bedrijven anders werken, en omgekeerd. Een beetje de clichés, zegt Isfates-directeur Etienne Baumgartner, maar daarom niet minder waar. „Duitsers zijn hiërarchischer, en bij ons is de vakbondscultuur weer formeler.”

Maar de Europese praktijk heeft het ‘tweeculturenconcept’ alweer ingehaald. Want de meeste studenten vinden nu geen werk in elkaars landen, maar in Luxemburg, bij grote banken en mediabedrijven. „Regionaal is Luxemburg onze belangrijkste economie”, zegt Baumgartner. Daarbij hoort volgens hem een opleiding waarbij je niet alleen een paar jaar in Frankrijk en Duitsland studeert, maar ook in Luxemburg en België. „Dat lijkt me heel aantrekkelijk voor jonge mensen. En in het Europa van nu spreekt het eigenlijk vanzelf.”

Hij zegt het bijna achteloos. Maar het betekent niet minder dan dat Elzas-Lotharingen de verzoening voorbij is.

München, de oorlog lijkt zich in de coulissen terug te trekken

Wierook waait over de Marienplatz. Op de zestigste dag na Paaszondag viert de stad plechtig dat brood en wijn daadwerkelijk veranderen in de zoon van God. Corpus Christi heet het ‘feest van de eucharistie’ in de meeste katholieke landen. Hier is het Fronleichnam. De aartsbisschop van München houdt een mooie toespraak met Dynamik en Dasein erin, en stipt zelfs nog even aan dat de kerk ook zelf soms in verzoeking raakt. Daarna is de processie. Zondagse pakken. Ambtsketens. Leren voorschoten, het gilde van lakkeerders, studenten met platte pet en beenkappen. Vaandels. Je kunt er van alles in zien. Je kunt ook zeggen: zo doen ze het hier nu eenmaal.

Beieren is er altijd trots op geweest anders te zijn. „De Heimat is ons anker”, zegt de Münchense politicus Michael Piazolo. ‘Thuis’ is ook de zevende economie van Europa. Na Nederland, voor Zweden, anderhalf keer Griekenland. Maar ‘thuis’ wordt bedreigd. „Brussel en Berlijn beslissen over onze hoofden heen.”

Piazolo is woordvoerder Europese zaken van de Freie Wähler, van oorsprong een burgerbeweging die op lokale onderwerpen campagne voert: tegen een derde startbaan, vóór kleinere schoolklassen. Die Freien, nicht die Parteien, was de leus. Maar de Freie Wähler is nu de derde partij in het parlement van Beieren. In 2013 willen ze de Bondsdag halen, met een harde anti-Europese campagne en met een dubbel doelwit: Brussel én Berlijn.

Zakenman Stephan Wehrhahn, Adenauers kleinzoon, gaat daarbij helpen. Met veel misbaar zegde hij vorige week zijn CDU-lidmaatschap op. Met haar lapwerk in Europa zou Merkel de erfenis van zijn grootvader „verkwanselen”. Of de Freie Wähler in 2013 de kiesdrempel halen, moet blijken. Maar het succes van een partij als de Piraten, een actiegroep voor informatievrijheid, die nu zetels heeft in vier deelstaten, toont hoe snel de versplintering van het ‘oude midden’ ook hier kan doorzetten.

De Freie Wähler opereren aan de andere kant van het spectrum, maar hun weerzin tegen ‘meer Europa’ vertolkt eenzelfde ongemak. Toch weigert Piazolo zijn partij anti-Europees te noemen. „Wij zijn vóór de euro, en positief over de afgelopen dertig jaar van Europese integratie. Het punt is dat voor het piramidespel van de laatste jaren legitimiteit ontbreekt. ’s Ochtends lezen we in de krant wat Angela Merkel de avond ervoor in Brussel heeft besloten. Duitsers hebben er niet over gestemd. Zij zegt dat er geen alternatief is. Ik zeg: als we het op deze manier doen brengen we de val van de euro juist dichterbij.”

Misschien is dit wat de drie steden verenigt: de regio waarin ze opereren is nu belangrijker dan het land waarvan ze deel uitmaken. Paradoxaal genoeg heeft de Unie, en de eurocrisis in het bijzonder, lagen en grensoverschrijdende verbanden blootgelegd, die ouder zijn dan de landen van de Unie zelf. ‘Nationale’ verkiezingen zoals die van zondag suggereren dat het belang van de burgers zich aan de landsgrenzen houdt. Misschien is dat idee een trompe-l’oeil. De Unie telt, en de eigen regio. Daar lijkt steeds minder tussen te zitten.

München heeft vrij. In de Englischer Garten, het stadspark langs de Isar, wordt duizendvoudig gepicknickt. Op de ‘staande golf’ waar de rivier onder een brug doorbruist, maken surfers capriolen. Behalve Duits hoor je binnen honderd meter Frans, Engels, Italiaans en Spaans praten.

Aan de rand van het park staat het Haus der Kunst, tussen 1933 en 1937 gebouwd als Haus der Deutschen Kunst. Tegenwoordig ligt de nadruk op media en fotografie. Deze week opende er een tentoonstelling over kunst als propaganda, ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan. Er is een hip terras, sommige klanten lopen op blote voeten. De mozaïeken met swastikamotief, twintig meter hoog tussen de zuilen, zitten er nog. Nu ja, misschien moet dat nu dus gewoon kunnen.

Ik lees The German Trauma van Gitta Sereny, de Oostenrijkse journaliste die haar leven wijdde aan de vraag hoe het kan het dat gewone mensen zulke enorme wreedheden begingen. Ze sprak lang met Franz Stangl, commandant van Treblinka.

Kan Duitsland al met zijn verleden leven? Sereny dacht van niet. „Elke leeftijdsgroep heeft hier zijn volkomen eigen, maar hoofdzakelijk ontwijkende perspectief op het verleden”, schrijft ze. Het „impotente schuldgevoel daarover verteert het land” en „maakt een helder gevoel van nationale richting nagenoeg onmogelijk”. Maar dat schreef ze in 1967. De oorlogsgeneratie is dood. De generatie die de oorlog moest verwerken begint uit te dunnen. Jongeren zijn de oorlog zat.

Toch ligt de oorlog nog gevoelig, zoals de affaire rond president Horst Köhler illustreert. „Een land van onze grootte en met nadruk op de export moet weten dat in noodgevallen militaire inzet nodig is om onze belangen te verdedigen, zoals vrije handelswegen”, liet hij zich in 2010 ontvallen. In Washington (of Londen of Parijs) is dat enigszins een open deur. Köhler, die zijn uitspraak deed op bezoek in Afghanistan, moest erom aftreden.

Juist in München stond de wieg van Heute gehört uns Deutschland, morgen die ganze Welt. Maar ook hier lijkt de oorlog zich in de coulissen terug te trekken.

Het academisch jaar is voorbij. Dat vieren de studenten met een driedaags popfestival. Je associeert het met hoempapa en lederhosen, maar rond de podia bij metrohalte Studentenstadt drinken flowerpowermeisjes en jongens met rastahaar loom bier uit grote pullen. Statiegeld drie euro. Zo doen ze het hier nu eenmaal.

Ja, ze zijn bang dat de euro instort, zeggen ze als je ernaar vraagt. Maar over Europa maken ze zich niet druk. Het voelt niet eens als een apart gebied. „Mijn vrienden in Frankrijk zijn net zo dichtbij als die in Senegal”, zegt Stéfanie. Ze is op het festival met een vriendin die close is met één van de bands. Ze heeft Duits gestudeerd en werkt nu voor een organisatie die zich inzet voor alleenstaande minderjarige asielzoekers. Daarvan zijn er steeds meer, zegt ze. Afghanen, Irakezen, Somaliërs, op weg naar het beloofde land. De laatste tijd komen er veel kinderen via Griekenland. „Hun ouders kunnen in Griekenland niet weg, omdat het asielsysteem er verstopt zit. Ze sturen hun kinderen vooruit naar Duitsland in de hoop op gezinshereniging.”

Op het podium begint de band Ohrange te spelen. Ze spelen ‘surf-folk-klezmer-pop’, zeggen ze zelf. Fernweh heet hun eerste nummer.