Steven Kruijswijk koerst in de bergen: 'Hier hoor ik thuis'

Wielrenner Steven Kruijswijk gold nooit als een groot talent. Nu is hij een van de kopmannen voor de Raboploeg in zijn eerste Tour.

De Spanjaard Alejandro Valverde slaat lachend een balletje op de tafeltennistafel, Raborenners Steven Kruijswijk en Robert Gesink geven interviews en op de tv zijn finishbeelden te zien van de Giro. In de kantine van het Centro de Alto Rendemiento, een hypermodern trainingscentrum op 2.320 meter hoogte in de Zuid-Spaanse bergketen Sierra Nevada, lijkt de Tour de France ver weg. Maar niet in het hoofd van debuterend Raborenner Kruijswijk.

„Ik kijk er enorm naar uit. Als je begint met fietsen, denk je nooit dat je later zelf één van de renners zal zijn die de Tour rijden. Straks zit mijn neefje van acht te kijken voor tv hoe ik daar fiets. Precies zoals ik zelf vroeger naar Michael Boogerd keek.”

Steven Kruijswijk (25) is de minst bekende van de drie Nederlandse Rabokopmannen voor de Ronde van Frankrijk, die over twee weken begint met een proloog in Luik. Gesink was al eens vijfde in de Tour, Bauke Mollema vierde in de Vuelta. Derdejaars prof Kruijswijk dankt zijn status als beschermd renner aan zijn prestaties van vorig jaar: negende in de Giro en derde plus ritwinst bergop in de Ronde van Zwitserland.

„Als ik dat niveau nu weer haal, mag ik vertrouwen hebben voor de Tour”, zegt de 63 kilo lichte klimmer uit Nuenen, die zich dit weekeinde wil testen in twee bergritten in de Ronde van Zwitserland. „De enige onzekerheid is dat ik sinds de klassiekers van dit voorjaar geen wedstrijden heb gereden.”

Voordat hij deze week startte in de Ronde van Zwitserland beulde Kruijswijk zich wekenlang af in het desolate berglandschap van de Sierra Nevada, waar hij op hoogtestage was met ploeggenoot Gesink en trainer Louis Delahaye. „Je hebt hier verder niets te doen dan fietsen. Trainen, rusten, beetje verzorgen. Dat is het. Ik vind dat wel fijn, dan voel je echt dat je ermee bezig bent. Toewerken naar de grootste wedstrijd die er is.”

Tijdens een tijdrittraining bergop toont de jonge Raborenner zijn karakter. Zie hem nauwgezet aanwijzingen opvolgen van trainer Delahaye, over hartslag en te leveren vermogen. De ranke renner houdt een prachtig hoog beentempo aan, van boven de honderd omwentelingen per minuut. „De kracht moet er nog ingroeien”, legt zijn trainer uit in de volgauto.

Een blessure aan de schouder zorgt voor problemen met de aerodynamische houding. En er zit boven 1.800 meter toch al zo weinig zuurstof in de lucht. „Kijken of ik in een andere houding lucht krijg”, roept Kruijswijk na tien minuten.

Niet voor niets heeft hij zich thuis al twee weken voorbereid op deze hoogtestage, door in een speciale zuurstofarme kamer te slapen. Zo kan hij zich sneller aanpassen aan de ijle lucht, eerder trainen op hoog niveau en meer profijt hebben van zijn arbeid. Wat nou pijn aan de schouder? Delahaye hoeft maar één opmerking te maken over de houding en zijn schouder gaat onherroepelijk in de juiste stand. Pijn of niet, dan maar ademnood. Met na de training zwart op wit het resultaat: 15 Watt meer vermogen getrapt. Pure winst straks in de Tour. En een schouderklopje van de trainer. „Typisch Stevie”, zegt Delahaye even later glunderend.

Zo is Kruijswijk: nauwgezet bezig om zich steeds opnieuw te verbeteren. Als een groot talent gold hij nooit, vanaf het moment dat hij zich aanmeldde bij de Nuenense wielervereniging Trap met Lust. Op een oude Giant metdrie voorbladen een rondje Geldrop, Maarheze, Weert en over Someren terug naar Geldrop. Nooit afgeven, dat is zijn grootste kwaliteit. „Ik vond het mooi om klimmers te zien. Een half uur lang strijd leveren met jezelf. Ik had pas laat door dat ik het kon, klimmen.”

Na een opvallende Giro als invaller in 2010 volgde vorig jaar de doorbraak, toen hij in het spoor van de besten door de Dolomieten fladderde. „Dan rijd je met de klassementsrenners: Contador, Scarponi, Nibali. Je voelt dat je niet voor die jongens onder doet. Op dat moment besefte ik voor het eerst: hier hoor ik thuis.” In Zwitserland won hij daarna een bergrit tegen klimmers als Frank Schleck, Damiano Cunego en Levi Leipheimer. „Ploeggenoten die in de buurt op hoogtestage waren, stonden op een bergtop met een spandoek dat ze de dag ervoor gemaakt hadden. Speciaal voor mij. Dat zegt veel over het teamgevoel bij Rabo.”

Hij is gevoelig voor sfeer, zegt Kruijswijk. „Je kunt het nooit alleen, renners moeten voor elkaar door het vuur. Zeker in de Tour. Het beeld is dat het bij ons niet zo hecht is. Maar dat klopt niet. De sfeer is goed.”

Hoewel de Raboploeg met drie kopmannen naar de Tour trekt, staat er voor Kruijswijk maar eentje echt bovenaan. Dat is Robert Gesink, zijn buurman in hun Spaanse woonplaats Girona, met wie hij ook op persoonlijk vlak een vertrouwensband heeft. „In mijn ogen staat Robert nog altijd als kopman in de ploeg. Hij staat boven de rest door wat hij heeft laten zien.” En Mollema en Kruijswijk? „We zijn alle drie nog jong, kunnen goed met elkaar overweg en willen samen een super Tour rijden. Ik heb er geen probleem mee voor een van die andere twee te moeten rijden. Dat zou alleen maar mooi zijn, omdat zij er dan goed voor staan. Daarbij hoop ik voor mezelf het beste eruit te halen en me te kunnen laten zien.”

    • Maarten Scholten