Slipperstruik groeit uit tot twee soorten die elkaar nu weer naderen

Dus toch. Ook onder planten blijkt een ringsoort voor te komen. Euphorbia tithymaloides, een struik met slippervormige bloemen uit de wolfsmelkfamilie, koloniseerde vanuit Mexico de Caraïben zowel linksom, via Cuba, Jamaica en de Dominicaanse Republiek, als rechtsom, via Venezuela en de Kleine Antillen. De twee fronten ontmoeten elkaar in de Puerto Ricaanse archipel, maar zijn daar zo verschillend dat ze als verschillende populaties naast elkaar leven (Proceedings of the Royal Society B, 13 juni).

Elke ringsoort is een evolutionair puzzeltje op zich. Ringsoorten bestaan uit een aaneengesloten serie populaties waarin alle buren zich onderling kunnen voortplanten, behalve daar waar de cirkel zich weer sluit. Ergens in dat continuüm van populaties zit dus toch een harde knip. Evolutiebioloog Ernst Mayr noemde ringsoorten daarom “de perfecte demonstratie van soortvorming”.

Het probleem is dat ringsoorten zeer zeldzaam zijn. Biologen erkennen er slechts twee, allebei dieren: de Ensatina-salamanders rond Central Valley in Californië en de grauwe fitis (Phylloscopus trochiloides) die het Himalayagebergte omringt. De meeuwen van het geslacht Larus rond de poolcirkel golden sinds een publicatie van Mayr in 1942 als het schoolvoorbeeld van een ringsoort, maar een DNA-studie uit 2004 legde geen cirkel bloot, maar een warrige, uitwaaierende boom.

Aan dat korte lijstje kan nu dus een derde ringsoort worden toegevoegd, een plant bovendien, volgens twee Amerikaanse botanici. Zij reisden de Caraïben rond en verzamelden Euphorbia-monsters voor DNA-bepalingen in hun laboratorium in Madison, Wisconsin.

De wortels van de Euphorbia-stamboom liggen in Mexico, ontdekten de onderzoekers. Vanuit daar verspreidde de struik zich in twee richtingen. De verspreidingsgolf loopt langs de eilanden ten oosten van Mexico en valt samen met lokale ondersoorten als jamaicensis, bahamensis en angustifolia. De andere expansie verliep voornamelijk over het vasteland, langs Panama, Venezuela en uiteindelijk de Antillen. Hier groeien de ondersoorten tithymaloides en padifolia.

Het is op het eilandje St. Croix, ten oosten van Puerto Rico, dat de twee fronten elkaar naderen. Hier groeien padifolia- en angustifolia-planten op een afstand van nog geen 21 kilometer van elkaar. Toch hebben de twee populaties zich tot nu toe niet met elkaar vermengd. Misschien gebeurt dat in de toekomst alsnog, of sterft één ondersoort lokaal uit, speculeren de onderzoekers.

Voor hen is St. Croix vooral een ‘natuurlijk laboratorium’, waar de evolutie bezig is met de laatste experimenten van een langlopend onderzoek. Komt de cirkel rond?

Lucas Brouwers

    • Lucas Brouwers