Ook rechters willen diep van binnen vergelding

De mens heeft een diepgeworteld verlangen om misdaden te bestraffen. Wie er wordt gestraft is minder belangrijk dan het vinden van een zondebok. Gerechtelijke dwalingen zijn daarom zo vreemd helemaal niet, stelt Ger Groot.

Opnieuw lijkt in Nederland een gerechtelijke dwaling aan het licht te zijn gekomen. De ‘zes van Breda’, in 1994 veroordeeld wegens de moord op een Chinese vrouw, hebben waarschijnlijk jarenlang voor niets in de cel gezeten, zo maakte procureur-generaal Diederik Aben twee weken geleden bekend.

Na de Schiedamse Parkmoord, de zaak-Lucia de Berk, de Puttense Moordzaak, de Zaanse Paskamermoord en nog wat andere missers begint zich een akelige lijn af te tekenen. Misschien, zo verklaarde de advocaat van drie verdachten in de Bredase moordzaak, is „het aantal gerechtelijke dwalingen in Nederland misschien wel veel groter dan we geneigd zijn te denken”.

Hoe kan dat? Onvermijdelijk wordt er gewezen op tunnelvisie, en vooroordelen bij politie en justitie. Elke keer opnieuw, alsof ze van hun fouten nooit lijken te leren. Waarom zijn verstandige mensen niet in staat af en toe een stapje terug te doen en hun eigen daden kritisch te bekijken? Of desnoods de hulp van anderen in te roepen om dat, met een frisse blik, voor hen te doen?

Wie dat vraagt, zoekt het falen van de rechtsinstanties in de psychologische sfeer. Ongetwijfeld spelen blikvernauwing en de behoefte om te scoren hierbij een grote rol. Maar daarachter ligt een antropologische werkelijkheid die het wezen van het recht zelf betreft en die de persoonlijke zwakheden van de onderzoekers des te catastrofaler maakt.

Justitie beschouwen we nu als een instrument in dienst van de persoonlijke bestraffing van een verantwoordelijke misdadiger. In de tweede helft van de twintigste eeuw kwamen misdaadpreventie (afschrikking) en heropvoeding van daders centraal te staan. Het strafrecht werd een manier om de samenleving langs redelijke weg te hervormen.

Dat is zeer modern en uitermate redelijk. Maar het is niet de oorsprong van de rechtspraak. Die ligt in de vergelding. De misdadiger heeft zijn slachtoffer en, misschien nog wel belangrijker, de samenleving schade toegebracht. Met zijn straf wordt die openstaande rekening in balans gebracht. ‘Oog om oog’, volgens de oudtestamentische formule die niet oproept tot een eindeloos proces van wraak en weerwraak, maar de behoefte aan vergelding juist van een maat voorziet.

Sinds ruim tien jaar krijgt vergelding, gaandeweg beschouwd als een enigszins gênant overblijfsel uit primitieve tijden, in het denken over schuld en straf weer meer ruimte. De rechtsorde én de slachtoffers zijn gebruuskeerd. Daar moet genoegdoening tegenover staan die hen compenseert.

Ook daarbij blijft men echter denken op het psychologische vlak. Het gaat om het persoonlijk leed van de nabestaanden, om de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daarvan kan men proberen de kosten te berekenen en zo krijgt de vergelding alsnog een redelijk gezicht. In een moderne rechtspraak kun je daarmee voor de dag komen.

Maar de oorsprong van de vergelding steekt veel dieper. Ze moest een wereld die door de misdaad op letterlijk kosmische schaal was ontwricht opnieuw in balans brengen. De persoon en zelfs de intentie van de dader deden er daarbij maar weinig toe. Het was de dáád die gecompenseerd moest worden – en daarvoor was het niet eens altijd nodig een verantwoordelijke dader te hebben. Evenwicht kwam er weer in de wereld door een offerhandeling, waarvan de oudtestamentische ‘zondebok’ het duidelijkste voorbeeld was.

Met de maat van ‘oog om oog’ en later in de geschiedenis de opkomst van het verantwoordelijke individu verdween die magische oergrond van het recht uit zicht. Maar daarmee zijn we de daarmee gepaard gaande instincten nog niet kwijt. Hoe redelijk en geordend justitie inmiddels ook is opgezet, in ons ‘antropologische geheugen’ blijft het nog altijd iets hebben van de hogepriesterlijke taak een uit het lood geraakte wereldorde recht te zetten.

Dat verklaart waarom we juist bij zware misdaden zo veel gerechtelijke dwalingen zien. Niet alleen omdat die zaken nu eenmaal meer aandacht krijgen dan alledaagse vergrijpen, waarbij ook wel eens iets zal misgaan. Maar omdat er daarbij zo veel op het spel staat dat er wel een veroordeling móet volgen. Zo niet, dan blijft de samenleving opgescheept met een voortvretend onbehagen over een wereldorde die niet helemaal in de haak is. De gevolgen daarvan kunnen de eigenlijke misdaad verre overstijgen. De zaak-Marianne Vaatstra is een goed voorbeeld waarin een onafgesloten zaak niet alleen het gevoel oproept dat hier geen recht is geschied, maar de orde van de wereld zelf twijfelachtig wordt.

In tegenstelling tot wat je zou verwachten, leidt de ernst van de straf dan ook niet per se tot een grotere zorgvuldigheid in de veroordeling. In de Verenigde Staten is in de afgelopen twee decennia meer dan een derde van de terdoodveroordeelden vrijgelaten, omdat ze het bij nader inzien niet gedaan hadden. Dát er een vonnis kwam, bleek belangrijker dan wíe er gevonnist werd. ‘Recht doen’ betekende niet iemand een persoonlijke verantwoordelijkheid toeschrijven, maar een misdaad compenseren met een offerdaad.

Niet dat die jury’s dat bewust zo deden. Het was voor een belangrijk deel de duistere antropologische ondergrond (veelal niet gedempt door veel juridische distantie) die hen parten speelde. Oordelende rechters en goed opgeleide politiespeurders mogen geacht worden daarvoor minder vatbaar te zijn. Maar ook zij kunnen zich aan de invloed daarvan niet geheel onttrekken. Ze zullen dat bovendien des te minder zijn naarmate ze dieper overtuigd zijn van de moderne redelijkheid van hun vak of ambt, waaruit dergelijke ‘primitieve’ effecten uitgebannen heten te zijn.

Ook vandaag de dag heeft de rechtspaak nog een geheime, sjamaanachtige functie. Ze bezweert de ontwrichting van een kosmische orde die slechts met een offerdaad weer met zichzelf in het reine komt. Politie en justitie hebben de plicht ervoor te zorgen dat de juiste persoon geofferd wordt. Maar tegelijk zullen zij zich steeds weer opnieuw moeten wapenen tegen het oeroude verlangen naar het vinden een zondebok (schuldig of niet). Zij kunnen dat alleen doen door zich daarvan voortdurend rekenschap te geven. Psychologische preventie van tunnelvisies en vooroordelen blijft nuttig en nodig – maar op dit duistere vlak is het niet voldoende.

Ger Groot doceert filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen en is publicist.