Koppensnellen met de maten

Antropologie

Nog altijd verzamelen soldaten menselijke trofeeën. Deze ‘jacht op souvenirs’ verloopt als een groepsritueel, dat lijkt op het jagen op wilde dieren.

Dirk Vlasblom

A human skull keeps watch over US soldiers encamped in the Vietnamese jungle during the Vietnam War. (Photo by Terry Fincher/Getty Images) Getty Images

In april wist de Los Angeles Times de hand te leggen op 18 foto’s van Amerikaanse soldaten die poseerden met de lichamen van gedode Afghanen. De Times drukte er twee af op de voorpagina. Op één ervan houden grijnzende militairen de afgerukte benen omhoog van een zelfmoordterrorist. De krant beschreef in een begeleidend artikel wat hij niet liet zien, zoals twee soldaten die de hand van een dode Afghaan ophouden met de middelvinger gestrekt.

Op 9 september 2010 meldde de Washington Post dat twaalf soldaten van een Amerikaanse infanteriebrigade in de Afghaanse provincie Kandahar waren opgepakt. Zij zouden deel uitmaken van een geheim ‘kill team’ dat ‘voor de sport’ en volkomen willekeurig Afghaanse burgers opblies of doodschoot, waarna ze de vingers verzamelden als trofeeën. Hier was zonder meer sprake van oorlogsmisdaden, maar er was nog een andere norm in het geding.

Sinds de vorming van staande beroepslegers in de zeventiende eeuw geldt het voor westerse soldaten als afwijkend gedrag om lichamen van gedode vijanden te verminken of op een andere manier te schenden. Toen in de tweede helft van de negentiende eeuw het internationale humanitaire recht zich begon te ontwikkelen, werd schending van de stoffelijke resten van de vijand formeel verboden. En het gaat niet alleen om geschreven oorlogsrecht. De meeste westerlingen, ook militairen, vinden het verwerpelijk om lichaamsdelen van gedode tegenstanders te verzamelen en te bewaren. Net als oudere praktijken, zoals kannibalisme en mensenoffers, wordt het nemen van menselijke trofeeën in het Westen algemeen beschouwd als ‘barbaars’.

Boekje

Er zijn behalve zedelijke ook puur militaire bezwaren. De reactie van de Amerikaanse legertop op de gemelde misdragingen in Afghanistan was geheel volgens het boekje. Ze zouden ‘geen afspiegeling (zijn) van het karakter en het professionalisme van de grote meerderheid van onze troepen in Afghanistan’ en zouden ‘hen allen in een kwaad daglicht kunnen stellen in de ogen van lokale Afghanen, aanzetten tot geweld en onnodige slachtoffers veroorzaken’. Een pragmatisch standpunt: zulke excessen zijn contraproductief, want ze kunnen uitlokken tot represailles tegen de eigen manschappen.

Toch hebben Amerikaanse en Europese soldaten de afgelopen eeuw met enige regelmaat jacht gemaakt op menselijke trofeeën en dat doen ze nog steeds. De Britse antropoloog Simon Harrison, verbonden aan de universiteit van Ulster, heeft onderzocht onder welke omstandigheden dit gebeurt en schreef hierover een boek: Dark Trophies.

Harrison maakt een onderscheid tussen ‘verre’, want cultureel vreemde, en ‘nabije’, want cultureel verwante vijanden. De jacht op menselijke trofeeën door westerse militairen, stelt hij vast, speelt zich volledig af in niet-westerse conflictarena’s en geldt alleen niet-westerse vijanden: Turken in de Eerste Wereldoorlog; Chinezen tijdens de Britse operaties tegen de guerrilla in Maleisië (1948-1960) en Vietnamezen aan het hete front van de Koude Oorlog.

‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog’, schrijft Harrison, ‘waren de Japanners de verre vijand en hun lichaamsdelen, waaronder oren, tanden en vooral schedels, werden routineus verzameld als souvenirs. Duitsers en Italianen, de nabije vijand, bleven gespaard voor deze vorm van lijkschennis. Die wordt alleen begaan in gewapende conflicten die door westerse soldaten buiten de eigen wereld worden geplaatst, en tegen “anderen” die ze zonder veel moeite menselijke eigenschappen kunnen ontzeggen.’

Harrison bespreekt een foto van een groepje Amerikaanse soldaten dat terugkeert van ‘souvenirjacht’ op een slagveld in de Pacific. Zij hebben niet alleen Japanse geweren, helmen en legerpetjes verzameld, maar ook schedels van Japanse soldaten. Voor eigen gebruik of om ze te verkopen aan collega’s. Voor deze mannen blijkt er geen wezenlijk verschil te zijn tussen wapens en helmen van Japanners en hun stoffelijke overschotten. Op Europese slagvelden zochten geallieerde soldaten ook naar souvenirs, maar nooit naar lichaamsdelen van gedode Duitsers.

Uit de voorbeelden die Harrison geeft, blijkt dat het meenemen van schedels en andere lichaamsdelen van gedode tegenstanders geen kwestie is van gestoord gedrag van door krijgsgeweld getraumatiseerde eenlingen, maar dat het dikwijls gaat om een koelbloedig uitgevoerd groepsritueel.

Handtekeningen

In 2003 vond de politie bij een huiszoeking een schedel die had toebehoord aan ene Julius Papas, die als sergeant van de mariniers had gediend in de Stille Oceaan. Papas had de schedel mee naar huis genomen en zijn familie verteld dat hij van een Japanse soldaat was die hij had gedood tijdens de Slag om Guadalcanal, op de Solomon Eilanden. Op de schedel stonden een datum (Guadalcanal, SI, 11.11.’42), een koosnaam (‘Oscar’), de tekst ‘dit is een goeie Jap’ en de handtekeningen van Papas en al zijn pelotonsmaten.

Op 22 mei 1944 bracht Life Magazine een ‘foto van de week’ met dit onderschrift: ‘Natalie uit Arizona, medewerkster in de oorlogsindustrie, schrijft haar vriend, een luitenant bij de marine, een briefje om hem te bedanken voor de Japanse schedel die hij haar heeft gestuurd.’ In het begeleidende stukje stond dat de schedel was beschreven met de tekst ‘Deze dode Jap hebben we opgepikt aan een strand in Nieuw-Guinea’ en verder met de handtekeningen van haar luitenant en 13 strijdmakkers.

Hierboven was al sprake van ‘trofeeënjacht’. Dat is geen toeval. Harrison wijdt een deel van zijn boek aan de overeenkomsten tussen het door hem bestudeerde gedrag van militairen en de gebruiken die samenhangen met de jacht en de behandeling van jachtbuit. Hij doet dit aan de hand van foto’s. Op een ervan zijn Amerikaanse mariniers tijdens de gevechten op Guadalcanal (1942-’43) iets aan het koken, bij nader toezien een schedel. Ze hebben het lichaam van een Japanse soldaat gevonden, diens hoofd van de romp gesneden en de schedel vervolgens gekookt om hem te ontvlezen en te bewaren als trofee. Op het eerste gezicht is moeilijk te zien of dit nu een oorlogs- of een jachttafereel is. De twee soldaten doen iets onplezierigs met het lichaam van een vijand, maar als zij een hertenschedel zouden koken, zou dit een volkomen normale jachtscène zijn. Harrison: ‘Op de foto gebeurt iets dat behoort tot het grensgebied tussen jacht en oorlog, De mariniers ontsluiten dat gebied.’

Westerlingen kennen de mens een hogere status toe dan het dier. Maar, zegt Harrison, die rangorde vervaagt bij ‘verre’ vijanden. Dan wint jagersbranie het van respect voor de doden – en van de krijgstucht.

Simon Harrison, Dark Trophies – Hunting and the Enemy Body in Modern War, Berghahn Books, juni 2012, 244 blz., € 60