Opinie

    • Youp van ’t Hek

In de kleedkamer

Afgelopen woensdagavond. De kleedkamer. Aardige jongens. Finalisten op het laatste WK. Dat word je niet zomaar. Ze zijn halfbloot en bijna allemaal getatoeëerd. Omdat dat bij hun vak hoort. Iedereen die iets wil uitstralen op het voetbalveld heeft een lijf vol inkt. Het lijkt wel verplicht. Een cup of een bal, een paar sterren die voor kampioenschappen staan. Of de namen van hun kinderen, geboortedata van die kleuters, trouwdagen die soms alweer bijna verlopen zijn. Het is een internationaal verschijnsel. Als je gewonnen hebt dan ziet zo’n lijf er goed uit. Mannelijk. Stoer. Maar na een nederlaag wordt het opeens gefröbel. Is het zelfs een beetje kinderachtig. Een uit de hand gelopen pubergrap. Brugklassers vol ballpoint. Om de gymnastiekleraar op stang te jagen.

Daar zitten ze. Stil. Wat moet er nog gezegd? Het is 2-1 geworden. Dat klinkt spannend, maar dat was het niet. Die ene goal van henzelf was een mooie pegel, maar meer dan dat ene doelpunt heeft er de hele wedstrijd niet ingezeten. Die twee van hen daarentegen… het hadden er vier, vijf, zes kunnen zijn. Misschien wel zeven. Het ergste was nog dat de tegenstander, onze vaste voetbalvijand, bijna niet gejuicht heeft bij hun doelpunten. Ze ondergingen het gelaten. Als trainingsgoaltjes. Zoals een profclub dat doet aan het begin van een voetbalseizoen. Een zomeravondwedstrijd in een dorp. Als ze inspelen tegen FC Zwammerdam of Sportclub Haastrecht. Dat niet juichen was misschien wel de diepste vernedering. De ultieme knock-out.

Daar zitten ze. Droef en bitter. De tweede nederlaag op rij. Geen vuist kunnen maken. Niet eens een middelvinger opgestoken. De eerste nederlaag was eigenlijk nog erger. Toen gingen ze ten onder tegen een elftal dat in eerste instantie met RKC Waalwijk was vergeleken. Dat volgens de kenners en de vele analisten eigenlijk niets te zoeken had op dit toernooi. Dat louter goed was voor het doelsaldo. Een bij Ajax afgekeurde gozer scoorde. Hij had hun keeper ook nog gepoort.

Daar zitten ze. Aardige jongens. Stuk voor stuk grote carrières. Ze luisteren naar de aftaaiende aanhang van de tegenstander. Het gezang dringt door de kleedkamermuren. Die niet te harden taal van de buren. Sieg. Sieg. Ze horen: Ziek. Ziek. Dat zijn ze ervan. Ziek. Doodziek. Hun eigen oranje aanhang horen ze niet. Die vertrekt op kousenvoeten. De indiaan. De generaal. De talloze leeuwen. De negen sinterklazen. De dertien als Volendamse vrouwen verklede bierbuiken. Afgeschminkt met hun eigen tranen.

De perschef mompelt dat het sportjournaille wacht. Ze hebben geen zin. Zeker niet in die eikels van Bild. Die gaan weer humor doen, Duitse humor welteverstaan. En dat weten we allemaal: Duitsers & humor is geen lekkere combi. En op de lollige vragen van de Belgische pers zitten ze ook niet te wachten. „Dat wij niet meededen wisten we, maar jullie?”

De bondscoach kijkt naar zijn aanvoerder. Ook nog eens zijn schoonzoon. Het is een klein land. Te lang doorgegaan? Wie? De bondscoach of de schoonzoon? Of allebei? Sommige spelers herkennen elkaar nu pas in de kleedkamer. Deed jij ook mee? Op welke positie dan? Het gevoel is wederzijds. Er rinkelt een mobieltje. Ene Bakker. De psych van René van der Gijp. Hij zoekt werk en wil graag wat egootjes oplappen. Hij belt altijd zelf.

Er wacht nog een strohalmpotje tegen Ronaldo en kornuiten. Ze moeten er eigenlijk niet aan denken. Ronaldo ook niet. Dan zwaait de kleedkamerdeur open. De vriendelijke aanvoerder van de beulen die het tussenvonnis zojuist geveld hebben. Hij heeft meelij en belooft plechtig om zondag zijn sportieve plicht te doen. Echt? Echt! Hij gaat ze verlossen. Hoe? Door gelijk te spelen. Dan kunnen ze namelijk maandag met vakantie. Naar Portugal bijvoorbeeld. Net als de Portugezen. Ze kunnen zelfs in hetzelfde vliegtuig. Een diepe zucht gaat door de kleedkamer. Vakantie! God, wat zijn ze daar aan toe.

    • Youp van ’t Hek