Ik heb mijn tijd rustig af te wachten

In de rubriek ‘Het laatste woord’ praten mensen over de laatste levensfase.

Daaronder staat wekelijks een necrologie van een niet per se bekende persoon.

„Dit is de laatste foto waarop ons gezin compleet staat. De foto is gemaakt in het voorjaar van 1952. In november van dat jaar verongelukte mijn man.”

„Sinds een paar jaar komt de burgemeester op m’n verjaardag, met een grote bos bloemen: toen ik honderd werd, honderd-één, honderd-twee. Vorig jaar mochten we samen de verbouwde dagopvang heropenen, waar ik drie dagen in de week naartoe ga. Toen ik daar aankwam, zag ik fotografen staan. Ik zei tegen de burgemeester: o jee, ik wil straks niet met m’n rollater in de krant staan. Hij zei: dan laat u die rollater hier toch achter, geeft u mij maar een arm. En daar liep ik, gearmd met de burgemeester! – jonge vent, aardige kerel.

„Al een jaar of vijftien vieren we mijn verjaardag in een zaaltje. Met aanhang erbij zijn we dan met z’n zestigen. De laatste jaren vind ik: laten we d’r maar mee ophouden, ’t is veel te duur om dat ieder jaar te doen – zonde van het geld. Dan zeg ik tegen de kinderen: spaar dat geld toch op, geef straks een mooie koffietafel bij m’n begrafenis. Dan zeggen ze: nee, nu kun je d’r zelf ook nog van genieten.

„Ach, het is ook wel gezellig, ik ben die drukte om me heen wel gewend. De meeste kinderen en kleinkinderen wonen in de buurt. Altijd loopt er hier wel iemand in of uit. Op zondag komen de kinderen vrijwel altijd. Dan zit de kamer vol. Zelf kom ik niet meer alle zondagen in de kerk; ik hoor niet meer zo goed. Ik zie de mis zondagsochtends op de televisie. Wilma, mijn jongste dochter, neemt de heilige communie voor me mee uit de kerk.

„Dankzij Wilma kan ik nog altijd zelfstandig wonen. Zij woont hier vlakbij, ze komt elke dag. Ze brengt eten. Maar ik kook ook nog wel zelf, een paar dagen in de week.

„Ik heb altijd gezond geleefd. Alcohol heb ik vrijwel nooit gedronken – hooguit een glaasje wijn, af en toe. Bij de dagopvang kun je ook een borreltje krijgen, of een advocaatje met slagroom. Daar doe ik niet aan mee.

„Elke dag maak ik mijn wandelingetje. Dat houdt je in beweging. Altijd kom ik wel bekenden tegen, met wie ik een praatje maak. Verder heb ik nooit iets bijzonders gedaan om zo oud te worden. Ik heb gewoon geluk gehad, het overkomt me.

„Ik dank Onze Lieve Heer dat ik nog altijd goed bij m’n verstand ben. Ik volg het nieuws op de voet. ’s Ochtends lees ik De Gelderlander, daar ben ik zo mee klaar. ’s Avonds lees ik de NRC. Machtig interessant. Vooral over wetenschap lees ik graag.

„Maar ik zit niet de hele dag te lezen, hoor. Nee, da’s zonde van m’n tijd. Ik heb altijd een druk leven gehad. Ik kan m’n handen moeilijk stil houden. Altijd heb ik wel iets te doen of te handwerken.

„Ik werd al jong weduwe: op mijn 43-ste, in 1952. Mijn man is onder een muur van losse bakstenen terechtgekomen, op de steenfabriek in Spijk waar hij werkte. Onze jongste was toen vijf jaar, de oudste was net zeventien. Het was op een zaterdag, toen een pastoor bij me aan de deur kwam. Ik ging meteen naar de fabriek. Hij leefde nog. ‘Vrouw, ik ga dood’, was het laatste dat hij tegen me gezegd heeft. In een ambulance op weg naar het ziekenhuis in Arnhem is hij gestorven. Achteraf dacht ik: wat jammer toch dat ik niet mee mocht in de ziekenwagen, dan hadden we misschien nog wat meer tegen elkaar kunnen zeggen.

„Met een kleine uitkering hebben ik daarna de kinderen groot moeten brengen. Dat is altijd behoorlijk druk geweest. Gelukkig zijn ze allemaal goed terechtgekomen. Nooit zijn we iets tekort gekomen.

„In 1964 ging ik voor het eerst van m’n leven met vakantie, met een zus en zwager mee naar Karinthië in Oostenrijk. We zouden drie weken gaan. Na twee weken heb ik de trein terug genomen. Ik hield het niet meer uit van de heimwee. Later ben ik wel weer op vakantie geweest. Met vier zussen naar een huis in Italië. Gezellig. Toen ik honderd werd, vroeg iemand: zou u wel eens mee willen met het vakantieschip van het Rode Kruis? Ik zei: ik wel! Toen ben ik de Rijn opgegaan, richting Essen. Met de Zonnebloem ben ik ook ’s gaan varen, van Utrecht naar Amsterdam.

„De laatste tijd heb ik wel eens last van mijn rug. Mijn dochter heeft de dokter laten komen. Die zei: we kunnen laten uitzoeken waar de pijn vandaan komt. Maar dan? Fysiotherapie? Operatie? Zullen we eerst maar eens kijken of we de pijn een beetje onder de duim kunnen houden met een paracetamolletje? Dan kunnen we daarna altijd nog zien? Mij lijkt dat wel verstandig. Ik zei altijd al, wanneer ik ergens last van had: als het over drie weken nog niet over is, zal ik ’s naar de dokter gaan.

„Aan de dood denk ik zelden of nooit. Als ze me hebben willen, komen ze me maar halen. Ik heb mijn tijd rustig af te wachten, daarover heb ik zelf niks te zeggen.”

Tekst & foto’s

Reacties: laatstewoord@nrc.nlTwitter: #hetlaatstewoord

    • Gijsbert van Es