Column

Generatiekloof

Een paar weken geleden is het grote fotoboek over de jaren vijftig verschenen. Als ik weer in Amsterdam ben ga ik het kopen. Met de lust van een beetje heimwee kijken naar al die zwart-wit foto’s van de stad, vol mensen in de mode van toen, ouwe auto’s, al die dierbaarheden. En misschien zal ik Willem Drees sr. weer eens zien, in zijn driedelig pak in het zonnetje, in de duinpan. Dat zal dan mijn particuliere plezier zijn. Maar nu krijg ik de indruk dat er een misverstand over dit decennium opnieuw wordt bevestigd.

In de Volkskrant van 11 juni staat een artikel van Anton Zijderveld, emeritus hoogleraar sociologie. „De jaren vijftig waren niet zo saai en braaf”, schrijft hij. En dan noemt hij onder andere de rebellie van de kunstenaars, de Vijftigers in de literatuur, Cobra in de schilderkunst. Hij citeert Karel Appel, zijn gevleugelde uitspraak in de film van Jan Vrijman: „Ik rotzooi maar wat aan.” Nee, voor de jongere generatie was het geen saaie, brave tijd.

Een van de beste bewijzen van het tegendeel is de roman van W.F. Hermans, Ik heb altijd gelijk (1951), waarin de held Lodewijk Stegman, aan boord van het troepenschip terugkerend uit Indonesië, het katholieke volksdeel beledigt. De schrijver werd aangeklaagd en vrijgesproken.

Zijderveld heeft gelijk. De jaren vijftig waren niet saai en braaf. De oorzaak daarvan is dat toen het generatieconflict zichtbaar is geworden. De eerste vijf jaar na de oorlog hebben de generaties die het vóór 1940 voor het zeggen hadden geprobeerd een restauratie tot stand te brengen. Die poging leek in eerste aanleg te slagen. De socialistische Doorbraak mislukte, de structuur van de verzuiling herstelde zich en we begonnen de oorlog tegen de Republiek Indonesië. We ‘gingen Soekarno halen’, want we hadden onze eigen denkbeelden over de onafhankelijkheid van het overzeese gebiedsdeel. Nadat die onderneming in een geweldige mislukking was geëindigd, wilde de oude politieke elite in 1950 weer overgaan tot de orde van de dag.

Intussen was de volgende generatie volwassen geworden, van de jongens en meisjes die in de jaren twintig geboren waren. Toen ze naar de lagere school gingen was het crisis, en vergis je niet, de internationale toestand dringt ook tot het kinderbrein door. In de Cineac (een bioscoop waar ieder uur het laatste nieuws werd afgedraaid), heb ik Hitler en Goebbels zien en horen redevoeren, naar Popeye gekeken en de Italiaanse inval in Abessinië en de Spaanse burgeroorlog gevolgd. De oorlog kwam nader en op 10 mei 1940 was het zover. Vier dagen later werd mijn stad verwoest. Mijn puberteit was begonnen. Die is afgerond in de Hongerwinter. De opvoeding van mijn generatie was in beginsel voltooid. In de jaren vijftig is gebleken in welke mate we daarvan profijt hebben gehad. Daarvan heeft professor Zijderveld een beknopte opsomming gegeven.

De laatste tragikomische stuiptrekking van het vooroorlogse Nederland hebben we beleefd rond 1960, toen volgens het Plan-Luns de Papoea’s in Nieuw-Guinea door ons tot democratie en onafhankelijkheid moesten worden opgevoed. Om dat plan kracht bij te zetten werd het vliegdekschip Karel Doorman naar de andere kant van de wereld gestuurd. Op sociëteit De Kring hebben we toen een manifest tegen alle politieke partijen opgesteld. We: Boebi Brugsma, Harry Mulisch, Edo Spier, nog een paar revolutionairen onder wie S. Montag. Het heeft niet geholpen, de gevestigde orde sprak er schande van. Nog één keer citeer ik Lucebert, de laatste regels van zijn gedicht Verdediging van de Vijftigers waarin hij de beste samenvatting van de nieuwe tijdgeest geeft: „Tegen uw muren zwellen wij met het rapalje tot een blaas, een zware zak vol lachen, krampen, gillen en geraas. Uw hemel wordt met onze zwerende ervaring overladen.”

De generaties komen en gaan. Het zou me niet verwonderen als in deze jaren opnieuw een breuk zichtbaar wordt. De jongens en meisjes die omstreeks 1990 zijn geboren, zijn opgegroeid in een volstrekt andere wereld dan hun voorgangers. Geen Koude Oorlog meer. In plaats daarvan eerst een decennium van groeiende welvaart, meer fun en vooral internet. Daaraan is omstreeks de eeuwwisseling abrupt een eind gekomen. Eerst barstte de dotcom zeepbel, er kwam een economische crisis en terwijl de nieuwe pubers de samenleving begonnen te verkennen werden de Twin Towers verwoest. Tien jaar hebben we twee vruchteloze oorlogen gevoerd en intussen beleven we al vier jaar een zich gestaag verdiepende economische crisis, waarvoor niemand een oplossing weet.

Zou je als mens van een jaar of twintig langzamerhand niet van die ouwe, machteloze betweters gaan walgen? Je bent opgegroeid in de digitale beschaving, je hebt nieuwe gewoonten ontwikkeld, je spreekt een taal die zich steeds verder van die ouderwetse verwijdert, je hebt andere ambities en intussen ben je er getuige van hoe de oude wereld reddeloos uit elkaar vliegt.

Mij zou het niet verbazen als we in deze jaren een generatiekloof voltooien, in diepte vergelijkbaar met die van de jaren vijftig. Het is dan alleen nog de vraag hoe de jeugd van nu daar uitdrukking aan zal geven.