Een irritante adviseur die graag een beetje elitair blijft

Coen Teulings heeft de glimlach van een man die geen hekel heeft aan gevaarlijke onderwerpen. Altijd ondeugend gebleven. De voornaamste economische waarzegger van Den Haag moet zijn woorden verantwoord en afgewogen kiezen; vertel hem wat. Maar stel Coen Teulings een lastige vraag en hij krijgt pretoogjes: leuk!

Teulings (1959) staat buiten het landsbestuur, maar je kunt hem moeilijk in de periferie van de Haagse invloedssferen plaatsen. Als directeur van het Centraal Planbureau (CPB) is de impact van zijn werk vanzelfsprekend. Donderdag gaf zijn bureau de becijferingen van het Lenteakkoord prijs. Goed nieuws voor de Lentevijf (3 procent in 2013) – maar vooral sombere vooruitzichten: matige groei en meer miljardenbezuinigingen de komende jaren. Vrijdag was hij medeondertekenaar van een advies dat de overheidsfinanciën als ‘instabiel’ typeerde.

En in de zomer legt hij met het CPB de verkiezingsprogramma’s langs de econometrische meetlat, zodat partijen nerveus wachten op 27 augustus, als Teulings de verwachte effecten van alle partijprogramma’s publiceert. „Dan komt ons boek”, zei hij toen ik hem dinsdag opzocht. De voorpret stond alweer op zijn gezicht.

Bij de doorrekeningen van het CPB zijn zeker vragen te stellen. Het realiteitsgehalte van de becijferingen kan niet worden getoetst; verkiezingsprogramma worden immers nooit uitgevoerd. Maar zodra dat boek in augustus uit is, zit iedereen eraan vast. Een ongekende invloed voor een bureau waarvan de voorspellingen zelden of nooit uitkomen.

Maar het goede van dat doorrekenen, zei Teulings, is dat het partijen dwingt hun beloften „te matigen”. Academische protectie tegen een overaanbod van goede bedoelingen. Zo wil de Hollandse kiezer het, legde hij uit. „Bomen die tot in de hemel groeien hebben het hier nooit goed gedaan.”

Het kost in Den Haag weinig moeite critici van Coen Teulings op te sporen. Ze vinden hem grillig en eigenzinnig, een linkse intellectueel (PvdA-lid) met te weinig oog voor politieke realiteiten. Het is de tijdgeest: nu het gezag van politici taant, groeit de neiging ook adviseurs en critici te politiseren.

In Den Haag konden ze weten wie ze binnenhaalden toen Teulings in 2006 aantrad. Hij had warmgelopen als lid van een eigen economendenktank van de Kamer, de REA, gevormd in 2005. Met het zweet in de handen zagen ze in de Kamer hoe de REA het ene gevaarlijke advies na het andere uitbracht, zoals inzake de hypotheekrenteaftrek. Zeker toen vloeken in de kerk. Teulings vond dat het zo hoorde. Maar de Kamer had het gauw gezien met die club: zó onafhankelijk was ook weer niet de bedoeling. In 2007 was het exit REA – maar toen zat Teulings al bij het CPB.

De conflicten die zich daarna voordeden, kon je dus van verre zien aankomen. Zeker met deze generatie politici, die met hun korte lontjes de maatschappij perfect representeren. Contact met de burger is voor hen elementair. De polsslag van de natie moet elke minuut opgenomen worden, anders krijgen ze straks weer een Marijnissen, Fortuyn of Wilders die hun krimpende middenpartijen extra zetels afsnoept.

Maar al dat contact met de burger maakt ook dat elk puntje van kritiek wordt uitvergroot. Zo komen de korte lontjes in de wereld. En de behoefte kritiek van externe adviseurs, die de burgerkritiek aanwakkeren, in te tomen.

De grap is dat Coen Teulings zich daar niets van aantrekt. Hij gelooft juist in tegenspraak. Hij vindt het machtig, vertelde hij, als een medewerker hem op kantoor toeroept: ‘Dat zég je nou wel, Coen, maar ik heb hier vier papers die aantonen dat je onzin uitkraamt.’ Zo wil hij werken – vanuit het idee dat competitie van ideeën tot betere ideeën leidt.

Intussen maken politici hun instabiele bestaan dragelijk door hun ideeënvorming op gezette tijden stil te zetten, dat noemen ze dan verkiezingsprogramma of regeerakkoord. Bezweringsformules om fragiele eenheid in stand te houden. Zodoende is Coen Teulings voor veel politici een ongrijpbare intellectueel die te graag ongemakkelijke feiten vrijgeeft – en meestal op het verkeerde moment.

„Ik mag graag analyses aandragen die niemand wil horen”, zei hij hij tevreden. Zoals eind vorig jaar, toen zijn instituut vaststelde dat er „weinig bewijs” is dat de Europese muntunie „economisch voordeel” oplevert. Deze week waarschuwde hij op BNR Nieuwsradio dat de muntunie serieus gevaar loopt, al denkt hij zeker niet dat dit een pijnloze operatie zou zijn. „You can’t unscramble scrambled eggs.” De val van Lehman Brothers leerde dat onzekerheid de ware vijand van de westerse economieën is.

Coen Teulings krijgt steeds meer te maken met politiek-tactische tegenwerking. „Het spel is ruwer geworden.” Het leidde er in de campagne van 2010 toe dat CDA en VVD hem bevoordeling van de PvdA verweten. En vorig jaar kwam er kritiek uit het kabinet toen hij rapporteerde over bezuinigingen op het persoonsgebonden budget (pgb). „Soms krijgt ook de directeur van het CPB een klap. Hoort erbij.” Dat leden van het kabinet, via de media, zijn onafhankelijkheid in twijfel trokken vond hij minder verheffend. „Niet gepast”, zei hij, nogal streng.

Onder zijn handelen zit een fascinerende drijfveer waarover je zelden leest, hoewel hij er geen geheim van maakt: Teulings vindt dat de angst die in de maatschappij is geslopen het product is van „de angst van de elite”. Vorig jaar sprak hij erover in de Kleine Komedie. In fraai Nederlands liet hij zien dat bijvoorbeeld de irrationele angst voor criminelen en allochtonen begin jaren negentig al doorklonk bij gezaghebbende auteurs in kwaliteitskranten. Ruim voordat ze door diezelfde kranten uitvoerig uit de volksmond werden opgetekend. „De elite onderschat zijn rol”, zei hij. „Gedachtenvorming begint bij de intelligentsia en die schrijft ze vervolgens toe aan anderen. Maar dat is dus de angst van de elite zelf.”

Dus verwacht van hem nooit angst voor de feiten en nooit opvattingen die feiten verwarren met politieke bedoelingen. Want ze mogen hem in bestuurlijk Den Haag irritant vinden, de geloofwaardigheid van het CPB lijdt er niet onder. Een opinieonderzoek liet deze week zien dat zijn bureau voor een ruime meerderheid van de bevolking objectief en betrouwbaar is.

Maar alles is relatief. Hetzelfde onderzoek geeft weer dat de helft van de bevolking geen idee heeft wat het CPB doet. Teulings vond dit laatste wel amusant. „Viel niet tegen.” De kern is volgens hem dat de bevolking inziet dat zijn bureau niet meedoet aan politisering van feiten. „Ik zeg: wees blij dat de directeur van het CPB primair een intellectueel wil zijn.”

De keerzijde is dat Teulings’ bureau te boek staat als ondoorgrondelijk en elitair. Geen politicus zou dat etiket kunnen verdragen. Maar Coen Teulings zei dat hij er geen bezwaar in ziet. Het CPB laat argumenten hun werk doen. „Wij spinnen niet.” En als je onpartijdig wil blijven, „kan het helemaal geen kwaad als mensen je een beetje elitair vinden”.

    • Tom-Jan Meeus