De ziel is nieuwsgierig en gaat er graag op uit

Wees goed voor je ziel – Mijn jaren bij de Sakuddei Reimar Schefold, Nieuw Amsterdam, 350 blz., €29,95

Boeken als deze worden bijna niet meer geschreven, want de auteurs zijn even zeldzaam geworden als hun onderwerp. Een antropoloog die twee jaar onderduikt in een tribale gemeenschap, waarvan leefwijze en wereldbeeld nauwelijks zijn aangeraakt door de omringende, dominante cultuur, dat gebeurt bijna niet meer.

Plaats van handeling is Siberut, het grootste van de Mentawai Eilanden, een archipel voor de westkust van Sumatra. De bevolking hield de buitenwereld lang op afstand; het eiland kreeg pas in de twintigste eeuw een Nederlandse gezagvoerder en wat politie in de hoofdplaats Muara Siberut. Aan het einde van de jaren zestig, de tijd waarin het verhaal zich afspeelt, wist Siberut zich nog goeddeels te onttrekken aan het ‘beschavingsoffensief’ van de jonge staat Indonesië.

Alleen aan de kust woonden eilanders in zogenoemde ‘regeringsdorpen’. Zij moesten hun tradities – tatoeages, lendendoeken en sjamanistische rituelen – opgeven. Maar in het binnenland, aan de bovenloop van de vele rivieren, leidden Mentawaiers nog hun oude bestaan. In het regenwoud leefden zij van hun sagotuinen, knollenvelden en de jacht, in kleine, op verwantschap gebaseerde gemeenschappen, die woonden in één uma (longhouse).

In een van die koppige gemeenschappen bovenstrooms, de Sakuddei (‘mensen van de rivier Kuddei’), bracht de Zwitserse antropoloog Reimar Schefold twee jaren door. Contacten met de buitenwereld werden onderhouden met boomstamkano’s en met een schoener van Sumatraanse handelaren, die kapmessen, potten en pannen leverden in ruil voor kokosnoten. Brieven waren maanden onderweg. Voor de jonge Schefold, toen achter in de twintig, was die tijd bij de Sakuddei de ervaring van zijn leven.

Reimar Schefold bekleedde jarenlang een leerstoel in de antropologie aan de Universiteit Leiden. Zijn werk onder de Sakuddei legde de basis voor een reeks wetenschappelijke publicaties en enkele spraakmakende tv-documentaires, over de Mentawaiers en andere minderheidsculturen in Indonesië. Nu, enkele jaren na zijn pensioen, is er dit boek. Ditmaal geen wetenschappelijke etnografie, maar een terugblik, veertig jaar later, op de twee jaar die zijn leven veranderden. Schefold schreef het in zijn moedertaal, het Duits, en de Nederlandse vertaling is een primeur. Het boek is rijk geïllustreerd met foto’s van Sakuddei van wie de meesten al niet meer in leven zijn.

Uit etnografieën – systematische cultuurbeschrijvingen – leren we doorgaans weinig over de moeite die het kost om door te dringen in de andere cultuur. Schefold beschrijft die worsteling stap voor stap. De eerste barrière die hij moest nemen was argwaan, want de Sakuddei dachten dat hij een agent was van ‘de regering’ die hen wilde betrappen op verboden praktijken. Hun natuurreligie, en de vele ceremonies en riten die daar deel van uitmaken, werden door de Indonesische autoriteiten niet gerekend tot de erkende godsdiensten.

De Mentawaiers kenden geen duidelijk afgebakend pantheon; zij waren – en zijn deels nog steeds – animisten. Hun wereld wordt, behalve door mensen, dieren en planten, bevolkt door geesten, die van de voorouders en van het bos. Volgens hen heeft alles een ziel, en de mens moet daar voortdurend rekening mee houden.

De mens en zijn ziel horen bij elkaar, als broeders, maar de ziel is kinderlijk nieuwsgierig en gaat er graag op uit. Dromen zijn uitstapjes van de ziel. Blijft hij te lang weg, dan wordt de mens ziek. En als de ziel zich laat verleiden om bij de voorouders te eten, dan gaat de mens dood. Je moet dus goed zijn voor je ziel. Dat doe je bijvoorbeeld door hem bij elke maaltijd een hapje te geven, bij feesten bloemen voor hem neer te leggen en te dansen, want daar houden zielen van.

Schefolds initiatie werd een week voor zijn vertrek afgesloten met een tatoeage, want ‘alleen wie getatoeëerd is, is zoals hij zijn moet’. Daarna ging hij nog enkele keren terug en vestigde hij in Jakarta en elders de aandacht op de gevaren van grootschalige boskap voor het voortbestaan van de Mentawaiers in het binnenland. Met succes: in de jaren zeventig werd hun leefgebied een natuurreservaat.

In 2009 nam Schefold voor het eerst zijn vrouw en kinderen mee naar Siberut. In het laatste hoofdstuk doet hij verslag van het weerzien met, net als hij vergrijsde, bewoners bovenstrooms. Want koppigen zijn er nog steeds, ook al staan er nu zonnecellen op het dak van de uma.

Dirk Vlasblom

    • Dirk Vlasblom