De amateurbokser die Ali had kunnen verslaan

Stevenson in 2007 Foto Reuters

Voor velen gold hij als de beste amateurbokser aller tijden, de Cubaanse zwaargewicht Teófilo Stevenson. In Amerika lonkte een veelbelovende carrière, met miljoenen dollars voor het oprapen. Maar de drievoudig olympisch kampioen peinsde er niet over zijn land te ontvluchten. Hij bleef trouw aan Fidel Castro en het Cubaanse volk.

In het najaar van 1995 had ik in Havana een interview met volksheld Stevenson: drie uur later dan afgesproken stapte de 1,98 meter lange en goed verzorgde oud-bokser uit een rode Lada, met imperiaal. Vicevoorzitter van de Cubaanse boksbond was hij toen, en op het bondskantoor werd het interview af en toe verstoord door een official in Che Guevara T-shirt die als een bezetene op zijn schrijfmachine tikte. Als ambassadeur van de Cubaanse sport leidde de minzame ‘Teó’ een eenvoudig leven en adviseerde hij onder meer zwaargewicht Felix Savon, die met drie olympische titels (1992, ’96 en 2000) in zijn voetsporen trad.

Vanachter een bureau vertelde Stevenson over zijn beginjaren als bokser; op zijn veertiende trok hij voor het eerst bokshandschoenen aan. In die tijd bewonderde hij Enrique Regüeiferos; in 1968 in Mexico de eerste Cubaanse bokser sinds de revolutie van 1959 die een olympische medaille (zilver) won.

Stevenson, stijlvol in en buiten de ring, combineerde een vernietigende rechtse met snelheid. Hij won goud in het zwaargewicht op drie achtereenvolgende Olympische Spelen (München 1972, op z’n twintigste, Montreal ’76 en Moskou ’80) en evenaarde daarmee de prestatie van de Hongaarse bokser Laszlo Papp. Doordat Cuba de Spelen van 1984 in Los Angeles boycotte, kon favoriet Stevenson zijn titel niet verdedigen. Twee jaar later zou hij nog de wereldtitel veroveren in het superzwaargewicht. In 1974 en ’78 was hij al ’s werelds beste in het zwaargewicht. Van zijn 321 gevechten won hij er 302. In ’88 stopte Stevenson, het jaar waarin Cuba ook de Spelen in Seoul boycotte.

Hoewel hij vol overtuiging amateurbokser bleef, had hij bijna zijn krachten kunnen meten met Muhammad Ali. Eind jaren zeventig was een gevecht gepland tussen de beste prof en de beste amateur, maar het Ali-kamp zag er uiteindelijk van af, vertelde Stevenson. Was Ali bang om te verliezen van een amateur? Velen waren ervan overtuigd dat de bijna tien jaar jongere Stevenson Ali – in de nadagen van zijn carrière – had verslagen.

Begin 1996 stonden The Greatest en El Gigante toch tegenover elkaar. Ali, toen al Parkinsonpatiënt, bracht medicamenten naar Cuba en ging langs bij zijn vriend Stevenson. In een boksschool in Havana boksten beide kampioenen een paar minuten lang een schijngevecht.

Een paar maanden eerder had ik dat interview met Stevenson. En nam foto’s. In het kantoor van de boksbond, en bij zijn rode Lada.

Afgelopen maandag overleed hij na een hartaanval, in Havana, zestig jaar oud. Een dag later werd hij al begraven.

    • Ward op den Brouw