Column

Daadkracht

Wanneer politici afspraken maken, opperde Ahold-topman Dick Boer afgelopen donderdag in het FD, zou het fijn zijn wanneer ze er niet de dag erna alweer op terugkomen. Het is namelijk crisis. „Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat er echt door de zure appel heen moet worden gebeten. Het is jammer dat ieder akkoord continu weer ter discussie wordt gesteld.”

Jammer, inderdaad. De manier waarop de omstreden forensentaks op dit moment als een hete aardappel door de partijen wordt doorgeschoven, laat zien dat daadkracht in de Nederlandse politiek een relatief begrip is. Iedereen probeert leiderschap uit te stralen, maar het is niet de bedoeling dat er ook echt een deuk in het pakje boter komt. Dat daden consequenties hebben, Jezus, wie heeft dat ooit bedacht?

Het Kunduz-akkoord straalde aanvankelijk fermheid uit. Inhoudelijk is het geen meesterwerk – geef een chimpansee anderhalf uur met een A4’tje en je krijgt zo’n beetje hetzelfde resultaat – maar het was tenminste iets stevigs na het tenenkrommende debacle van het Catshuisoverleg. Nu staat het alweer grotendeels op losse schroeven.

Natuurlijk, verkiezingstijd. Alweer. Dat is precies de reden dat de VVD zich ineens weer sterk maakt voor afschaffing van de weigerambtenaar. Dat bizarre fenomeen was al het resultaat van politiek opportunisme: voor de wet zijn alle mensen gelijk, maar omdat sommige kiezers het daar moeilijk mee hebben, laten we wettelijk vastleggen dat je er in functie niet naar hoeft te handelen. De VVD was daar fel tegen, maar stemde uit zuiver opportunisme tegen het afschaffen van deze anomalie – en draagt, nu er niks van afhangt, gewoon weer met een stalen gezicht haar oorspronkelijke standpunt uit. De kiezer wordt geacht te geloven dat deze partij de volgende keer niet zal draaien.

De Hedwigepolder, het boerkaverbod – je zou er een Wet van kunnen maken: iedere opzichtige poging van de politiek om de kiezer te paaien, heeft uiteindelijk als effect dat het vertrouwen van de kiezer in de politiek nog verder afneemt.

Zeker, in een democratie als de onze is het polderen noodzaak – maar dit is geen polderen. Het is zelfs geen schipperen. Door al dat gedraai wordt het vervolgens alleen maar moeilijker om met een doordachte boodschap te komen – we weten dat er hard op afgedongen kan worden.

Hoogtepunt is het aangekondigde tijdrekken van de PVV (zeven uur aangevraagde spreektijd) en de SP (eveneens zeven uur) over de voorgestelde verhoging van het eigen risico in de zorg – wanneer je het politiek dreigt te verliezen, leg je gewoon het hele politieke proces plat. Let wel: de SP, een partij die snakt naar regeringsverantwoordelijkheid en de premier klaar heeft staan, is van plan zeven uur lang klaagmails voor te lezen van getroffen kiezers. Niet langer zijn het politici die het woord voeren namens de burger, maar andersom.

Scheidend Kamervoorzitter Verbeet heeft deze manoeuvre op laconieke wijze de pas afgesneden – er is nu gewoon een extra dag voor uitgetrokken, zodat de besluitvorming geen vertraging oploopt. PVV-ideoloog Martin Bosma, tevens plaatsvervangend Kamervoorzitter: „Wij hadden gehoopt het onderwerp van de agenda te duwen. Filibusteren, naar Amerikaans model, maar dat lukt dus niet. Met deze uitkomst ben ik niet blij. Ik moet die vergadering nog voorzitten ook. Ik neem een goed boek mee.”

Humor.

Het gebeurt allemaal uit naam van de lijdende burger, maar je kunt je afvragen of die erop zit te wachten. Eind deze maand, zo wordt verwacht, gaat de eurocrisis de beslissende fase in. Er wordt koortsachtig naar oplossingen en uitwegen gezocht, maar de heersende teneur is: te weinig, te laat. Niemand weet precies welke kant het op zal gaan. Grote klappen zijn onvermijdelijk. Dat betekent dat de wereld, en dus ook Nederland, er over niet al te lange tijd heel anders uit zal zien. Dat vraagt om politici die duidelijke posities innemen – en die posities niet de dag erop alweer verlaten. Nodig is de politicus die durft te zeggen: „Ik heb slecht nieuws voor iedereen.”