Brieven

Laat tegemoetkoming niet aan overheid over

Marike Stellinga schrijft over de uit de hand gelopen kosten van de kinderopvangtoeslag, of „crèchesubsidie” (NRC Handelsblad, 9 juni).

De regeling was evenwel geen cadeau van de overheid, maar een samenraapsel van regelingen. Tot 2006 claimden mijn man en ik ieder eenzesde deel van de opvangkosten bij onze werkgevers. De werkgever had er belang bij in een krappe arbeidsmarkt om jongere werknemers binnen te houden. In diverse cao’s was een regeling opgenomen voor kinderopvang. Lagere inkomens kregen een extra tegemoetkoming.

Het veranderde toen partijen die een cadeautje hadden beloofd een nieuwe regeling in gang zetten. Voortaan was je niet meer afhankelijk van de willekeur van cao’s of werkgevers. De overheid zou het regelen. Met een extra premie of belasting voor de werkgevers werd het stelsel gefinancierd. De gevolgen waren een omslachtig declareersysteem, late betalingen en geen enkele controle op gewerkte uren of daadwerkelijk genoten kinderopvang.

Nu zitten we met de gebakken peren. Voor hoger opgeleiden is er straks geen tegemoetkoming meer. Hun werkgevers betalen wel nog steeds. Wat mij betreft gaan we terug naar de oude situatie. Zeker met de vergrijzing op komst heeft de werkgever er belang bij zijn jongere werknemers binnenboord te houden. De tegemoetkoming voor kinderopvang kan hierbij helpen. Dat moet je niet overlaten aan de overheid. Die kan niet met geld omgaan.

R.J.L. Geling-van Ballegooij

Lelystad

ING medeschuldig aan vastgoedzeepbel Spanje

De andere zijde van problemen in zuidelijk Europa is de relatieve verbetering van de economie in noordelijk Europa (Opinie&Debat, 9 juni). Ook Nederland staat er relatief goed voor dankzij ‘Griekse’ en ‘Spaanse’ problemen. Als we naar een groter en gemeenschappelijk Europa willen, zullen er groepen ontstaan die relatief wel varen door geografische ligging, werkethos of industriële voorsprong. Ook binnen Nederland accepteren we verschillen tussen Oost-Groningen en de regio Eindhoven. Via Den Haag hevelen we geld over van rijke naar achterlopende gebieden.

Het artikel verzuimt te verwijzen naar een grootverdiener van Zuid-Europees leed: ING. Jan Hommen en zijn team van ING-managers zijn onbesuisd doorgegaan met het pompen van in Spaans vastgoed. Zij hebben bijgedragen aan het doorgroeien van de vastgoedzeepbel aldaar. Ook in Spanje zouden andere sectoren zijn geweest waar in te verdienen viel, maar blijkbaar hebben de grote banken te veel ingezet op vastgoed. Waarom niet op zaken als zonne-energie voor Spaanse huizen of wintergroenten voor en een snelle spoorlijn naar Noord-Europa?

Ir. J. Tessel

Monnickendam

Een diploma mag geen waardeloos papier zijn

„De inspectie maakt zich bij veel scholen zorgen over het feit dat centrale examens structureel een halve punt lager uitkomen” dan de schoolexamens, schreef Jan Drentje (Opinie&Debat, 9 juni).

Een examen is een meting van kennis en vaardigheid. De score is een cijfer dat ongeveer het kennisniveau aanduidt. Er is altijd een meetfout: de leerling was nerveus, niet fit, of begreep sommige vragen niet. Als de meetfout 3 procent is, heeft een leerling met een 6 in werkelijkheid een niveau tussen de 5,7 en 6,3.

Nu de examenuitslagen bekend zijn, kan de meetfout worden bepaald. Dan zien we of eenhalve punt veel of weinig is ten opzichte van de meetfout. En dan nog: meten die examens hetzelfde? Bestrijken ze dezelfde stof? Zijn ze even valide?

Drentje beweert dat er nog een tweede meetfout is, omdat examens behalve bijvoorbeeld biologie ook taalvaardigheid en voorstellingsvermogen vragen. Eigenlijk weten we dus niet of de leerling wel mag slagen. Het examen deugt immers niet. Toch moeten we volgens Drentje wel een diploma geven. „De leerling mag niet bloeden.”

Wie helpen we hiermee? Een diploma is het bewijs dat je bepaalde kennis en vaardigheden hebt verworven. Als dat niet (aantoonbaar) gelukt is, dan moet er geen diploma worden uitgereikt. Anders wordt het diploma een waardeloos papier.

Leo Besemer

Culemborg