Zwijgen voor de taal uit

De lichtheid van de literaire productie nodigt er niet toe uit, maar het kan: filosofisch kijken naar romans.

Tekening Paul van der Steen

Maurice Blanchot: De stem en het schrift. Drie opstellen over de esthetische distantie in de vertelling, het humanisme en de toekomst van de boekcultuur. Klement/Pelckmans, 182 blz. € 19,95

Niels Cornelissen: Armando Brakman Mutsaers. Over filosofie en literatuur. Klement, 285 blz. € 24,95

Tussen filosofie en literatuur bestaan tegenwoordig warme betrekkingen. Opvallend veel schrijvers hebben filosofie gestudeerd, filosofen op hun beurt bestuderen schrijvers en dichters. En veel filosofen proberen ‘literair’ te schrijven: toegankelijk, mooi, ook door niet-filosofen met gemak te lezen. Maar betekent literatuur allereerst leesgemak en schoonheid? Kijk je naar de huidige literaire productie, dan lijkt het daar wel op. Romans die het bevattingsvermogen van de lezer serieus op de proef stellen, zijn zeldzaam geworden.

Toch doet niet alle filosofie mee aan dit feest van de toegankelijkheid, zonder dat de belangstelling voor de literatuur daar onder te lijden heeft. Integendeel, juist de literaire inzet lijkt de duisternis te stimuleren. Uiteraard gaat het daarbij wel om een ander soort literatuur dan de nu dominerende.

Een goed voorbeeld is de Franse schrijver/criticus Maurice Blanchot (1907-2003), berucht om de raadselachtigheid van zijn romans en essays. Hij was bevriend met de filosoof Levinas, liet zich diepgaand beïnvloeden door Heidegger en drukte zelf een stempel op jongere filosofen als Derrida en Jean-Luc Nancy. In De stem en het schrift, onder redactie van de Antwerpse cultuurfilosoof Arthur Cools, gaan drie Nederlandse filosofen en literatuurwetenschappers in op Blanchots werk naar aanleiding van drie door hen vertaalde essays uit L’entretien infini (1969).

Hier geen autobiografisch geneuzel of uit de actualiteit geplukte problemen, maar kwesties die raken aan de fundamenten van literatuur en beschaving. Wat gebeurt er in het vertellen? Wat is de plaats en betekenis van ‘humanisme’? Waaruit bestaat de ‘list van de beschaving’? Het is onmogelijk de complexe redeneringen waarmee deze vragen worden beantwoord, in een paar woorden samen te vatten. Maar er valt wel iets te zeggen over hetgeen de drie essays met elkaar verbindt.

Blanchot verzet zich tegen het streven van de westerse cultuur om de wereld zo veel mogelijk – als zekere kennis – in de greep te krijgen. Het symbool van dat streven was volgens hem het Boek, met hoofdletter. Het Boek (denk aan de Bijbel) garandeerde dat zoiets mogelijk is; het berustte tenslotte op Gods scheppende woord. Maar na de ‘dood van God’ werd alles anders, getuige het onvermogen van Mallarmé om zíjn versie van Het Boek te schrijven. Daardoor kon duidelijk worden hoezeer de cultuur, met haar humanisme, haar rationaliteit en haar moraal zich altijd op een leegte, op een afgrond had gebaseerd, die alleen dankzij de ‘list’ van het boek aan het oog was onttrokken.

Neutrum

Aan de oorsprong van de taal en het schrift ontwaart Blanchot een onverschillige, betekenisloze neutraliteit, die hij in L’entretien infini het ‘neutrum’ noemt, een ‘zwijgend spreken’ dat de cultuur van het Boek wel moest ontkennen om zichzelf in stand te houden. Alleen in de moderne literatuur drong dit neutrum zich steeds meer naar de voorgrond, als de zich van de verteller vervreemdende ‘narratieve stem’. Deze narratieve stem heeft de neiging om alle betekenis uit het verhaal te zuigen, zoals blijkt uit Becketts trilogie waar in het derde en laatste deel (L’innommable) nog slechts een stem aan het woord is die er niet meer in slaagt een samenhangend en zinvol verhaal te vertellen.

Dat van alle zin en betekenis losgezongen ‘gebrabbel’ is niet alleen het eindpunt maar ook het begin van alle spreken en schrijven, aldus Blanchot, en daarmee een fatale rem op elk streven naar transparantie en totaliteit. Alleen door dat gebrabbel (en dus de grondeloosheid en contingentie van de rationaliteit van onze cultuur) serieus te nemen, zou er nog eens iets nieuws kunnen ontstaan, al blijkt Blanchots optimisme in deze niet overweldigend.

Ik vat het nu veel te simpel samen, grotendeels zonder de wonderlijke terminologie van Blanchot. Annelies Schulte-Nordholt, Laurens ten Kate, Aukje van Rooden en Arthur Cools slagen er beter in de vaak ondoorgrondelijke finesses van Blanchots denken recht te doen.

Nauwelijks minder gecompliceerd is de studie waarop filosoof en neerlandicus Niels Cornelissen eerder dit jaar in Leiden promoveerde. Hoewel Blanchot bij hem niet voorkomt, is de filosofie (onder anderen van Menke, Derrida, De Man, Deleuze en Adorno) in zijn boek beslist verwant aan wat we bij de Franse schrijver/criticus aantreffen. Het bijzondere is alleen dat Cornelissen deze filosofie loslaat op een drietal redelijk tot zeer succesvolle Nederlandse schrijvers: Armando, Willem Brakman en Charlotte Mutsaers.

Ook bij hen blijkt het steeds te gaan om iets wat losstaat van de betekenis, een ‘betekenisloze materialiteit’ (van de taal, van de woorden), en om ‘iets wat daaroverheen reikt, maar zich niet direct laat vatten’. Volgens Cornelissen roepen deze schrijvers dat op door middel van een specifieke ‘strategie’, die de interpretatie van de tekst frustreert maar die de lezer juist daardoor uitdaagt zich bezig te houden met ‘problemen die de filosofie op haar manier ook centraal stelt’. Deze strategieën introduceren een ‘ultieme onbegrijpelijkheid’ in de tekst en de filosofische reflectie wordt door Cornelissen aanbevolen als dé manier om daarmee om te gaan. Dus juist daar waar het interpreteren, het geven van betekenis, hapert, daar begint het filosofische denken.

Messen

Onwillekeurig vereist het herkennen van deze strategieën wél enige interpretatie, zeker als de schrijver zelf geen duidelijke suggestie doet. Dat bij Armando het ‘snijden’ de dominante strategie zou zijn en bij Brakman het ‘verbinden’ komt uit de koker van Cornelissen, ook al is het waar dat bij de een vaak over messen wordt gesproken en dat bij de ander alles met alles pleegt samen te hangen. De enige die zelf haar strategie aanwijst is Charlotte Mutsaers, die in Rachels rokje uitdrukkelijk over ‘plooien’ spreekt in plaats van over hoofdstukken. Ook verbindt zij de plooi met de Franse filosoof Gilles Deleuze, auteur van Le pli (1988), een studie over Leibniz en de Barok.

Het ligt dus voor de hand dat Cornelissen Mutsaers leest in het licht van Deleuzes denken, maar ook Derrida komt aan bod, vooral als het gaat om de relatie tussen mens en dier – bij Mutsaers een kapitaal thema. Maar wat is nu de connectie met het plooien?

Als voorbeeld noemt Cornelissen de rol van het woord ‘rood’ in Rachels Rokje, dat als een associatieve keten van over elkaar heen vallende plooien de tekst blijkt te doorkruisen, zonder dat het mogelijk is er een uiteindelijke betekenis aan te geven. Zo stuit de lezer op de materialiteit of letterlijkheid van het woord, die hem confronteert met de grenzen van zijn subjectieve esthetische ervaring. Daar kan hij vervolgens de filosofische reflectie aan vastknopen, bijvoorbeeld om het onderscheid tussen mens en dier te relativeren.

Dat kan ook bij Armando en Brakman. Want de problematisering van het subject, evenals die van de daarmee verbonden categorie van het esthetische, hebben alle drie de auteurs volgens Cornelissen gemeenschappelijk, hoe verschillend ze verder ook zijn. Telkens is er sprake in hun werk van iets wat niet meer subjectief of esthetisch te bevatten is, vergelijkbaar met Blanchots ‘neutrum’ – iets elementairs dat ons raakt en dat, als we er filosofisch op ingaan, onze meest vanzelfsprekende noties en categorieën aan het wankelen brengt.

Wat daarvan het gevolg is, laat zich moeilijk voorspellen. Wel is duidelijk, althans bij Blanchot, dat teveel onbevattelijke duisternis op den duur de literatuur de nek om dreigt te draaien. Niet voor niets schrijft Annelies Schulte-Nordholt dat de roman, nadat het vertellen door Blanchot zo radicaal ter discussie was gesteld, zich opnieuw had moeten uitvinden, ‘met personages, spannende verhalen en al’, zij het ‘zonder de naïviteit van vroeger’.

Bij Armando, Brakman en Mutsaers lijkt me dat gevaar minder groot, al was het maar omdat niets een meer op betekenis gerichte interpretatie van hun werk in de weg hoeft te staan. Zo lang we maar niet geloven dat één interpretatie de enig mogelijke is, laat staan de enig juiste. Wie last heeft van die illusie raad ik aan zich eens grondig te verdiepen in de ‘strategische’ aanpak van Cornelissen.

    • Arnold Heumakers