Voor u is er een eersteklas beul

De grondtoon in Bring up the Bodies is van Shakespeare. In haar tweede Anne-Boleynroman blaast Hilary Mantel in de geschiedenis gestolde figuren leven in, met details waarvan je niet wist dat je ze wilde weten. Maar inderdaad, je wílt ze weten.

An undated handout image, provided to the media on Wednesday, April 22, 2009, shows Hilary Mantel author of ''Wolf Hall''. In her dazzling new novel, “Wolf Hall,” Mantel brings Thomas Cromwell barreling out of the shadows to reclaim his rightful place as an early architect of the English Reformation and a compellingly modern hero. Photographer: John Haynes/Harper Collins via Bloomberg News EDITOR'S NOTE: NO SALES VIA BLOOMBERG NEWS

Hilary Mantel: Bring Up the Bodies. Fourth Estate. 411 blz. € 27,-. De Nederlandse vertaling, Het Boek Henry, verschijnt in september bij Signatuur.

Ook wie geen puf heeft voor historische romans moest het toegeven: Wolf Hall (2009) was verpletterend, als roman en als gewaagde geschiedschrijving. Het boek volgde het spoor van de obscure Thomas Cromwell (1485-1540). Hij was plaatsvervanger van koning Henry VIII van Engeland (1491-1547), wegbereider voor Anne Boleyn als zijn gemalin en koningin. Je dacht, dat weten we nu wel met die twee: spectaculair, barbaars, en middeleeuws dramatisch. Maar nee, we wisten het helemaal niet. Auteur Hilary Mantel riep een sensationele wereld op, vreemd, wreed, gedragen door machtspolitiek en willekeur. Iets van een volslagen andere tijd maar je kunt je er niet aan onttrekken. Ze kreeg er de Booker Prize voor.

In een gesprek met deze krant kondigde Mantel vorig jaar aan dat ze nog niet klaar was: „Het vervolg van Cromwells verhaal schrijf ik nu: The mirror and the light.”

Dat boek ligt er nu. Het is rauw en duister. Het sprenkelt kennis rond en maakt zich vrolijk over de waanzin van het hofleven. Het is, opnieuw, een vat vol vuurpijlen, met als laatste explosief de val van Anne Boleyn, de tweede van de zes vrouwen van Henry VIII. Haar executie, uitgevoerd door een speciaal ingevaren Franse kwaliteitsbeul, wordt via chantage en valse getuigenissen georkestreerd door Thomas Cromwell. Ook al wordt hij consequent in de derde persoon enkelvoud aangeduid, deze ‘hij’ is de ‘ik’ van dit boek, dat voel je, zo heeft Mantel het geschreven.

Ze interesseert zich voor de psychologie van gebeurtenissen en daar neemt ze de ruimte voor. Hoe gedraagt een hof zich als de koning indut bij de maaltijd? Wat is de functie van een nar en hoe ver kan die gaan? Wat gebeurt er als de koning dood lijkt (gewond bij een toernooi), en wat als hij dan ineens toch blijkt te leven? Zal Cromwell zijn baard laten staan? Zo nee, waarom niet? (Omdat Hans Holbein er op staat om een nieuw portret ‘tegen mij’ te maken – Mantel heeft uitgevlooid dat Cromwell een hekel had aan het schilderij en waarom.)

Even belangrijk is bijvoorbeeld de manier waarop een hoveling dient om te gaan met de koning, hoe een jonge edelman zich moet gedragen (niet met je voeten schuifelen en niet aan tafel de honden voeren) en hoe toernooien succesvol worden uitgevochten (om te beginnen: de helm strak aansnoeren voor een heldere, eenduidige zichtlijn. Een blik opzij is funest).

Hilary Mantel vertelt verder waar ze ophield over Thomas Cromwell, de zoon van een louche dorpssmid die als vijftienjarige zijn ouderlijk huis ontvluchtte. Deze Cromwell (niet te verwarren met de zeventiende-eeuwse Oliver Cromwell) is nu vijftig en op het toppunt van zijn macht. Hij beheert het bezit van Henry VIII, is zijn zaakgelastigde, adviseur en eerste vertrouweling, en hij bestiert iets wat veel weg heeft van een geheime dienst. Mantel portretteert hem als hoffelijk, discreet en koud. Hij is volledig dienstbaar aan een man die per definitie een onzeker factor is. Daarbij heeft hij Henry volledig door. Hij hoort hem ‘vloeiend liegen’, hij heeft lak aan zijn ijdelheid en wantrouwt zijn amicale omgang met mensen die hij minacht.

Cromwell heeft een slechte reputatie. In de Britse geschiedenisboeken geldt hij als intens boosaardig. Dat begrijpt Mantel. Maar, voegde ze toe, „wat hij deed was gegeven de omstandigheden zo vreemd nog niet, al weet ik niet of ik niet hetzelfde gedaan zou hebben.” Ze speelt niet zijn machtshonger weg, maar ze stelt zijn imago bij, naar een man die prijs stelt op zijn gezin, op tederheid en schoonheid en die verlangt naar vriendschap en erkenning die hij nooit zal krijgen. En dat weet hij.

Zijn tragiek is niet dat hij machtig en rijk en dus eenzaam is, maar dat hij slimmer en intelligenter en erudieter is dan iedereen om hem heen, op de koning na. En toch is hij not fit to talk to princes, zoals Henry hem in een bijzin voorhoudt. Hij is van lage geboorte en daar is alles mee gezegd.

Kreet

Mantel koos een andere titel dan ze vorig jaar beloofde. Het werd niet ‘The mirror and the light’, maar Bring Up the Bodies. Dat is de rituele kreet waarmee de cipiers van de Tower opgedragen kregen de terdoodveroordeelden voor te leiden voor executie. Bodies. Lichamen. Lijken. De lijken die Cromwell via een showproces organiseert om Henry van Anne en zijn huwelijk te bevrijden zodat hij kan trouwen met Jane Seymour – hem ook al toegeschoven door Cromwell. Alleen overspel was niet genoeg, er moest echte schande bij. Bloedschande. En dus legt ook Annes broer George zijn hoofd op het blok.

Maar ik lees ‘bodies’ ook als ‘lijven’. Vrouwenlijven, waarin een baby geen scheepje in een fles is, maar een visje in een black box. Alle edellieden en zelfs de koning zijn per definitie kwetsbaar, want afhankelijk van wat er aan leven groeit in een vrouwenbuik. In de woorden die Hilary Mantel Henry VIII in de mond legt: ‘Als een koning geen zoon kan krijgen [...] dan maakt waar hij verder toe in staat is, weinig uit.’

Door hun lijven worden vrouwen pionnen in het machtsspel van vaders en broers. Ze zijn de wild card, de joker, of de aas – dat blijkt pas als het huwelijk is gesloten en het zaad in haar baarmoeder gestort. Leidt het tot een kind? Zo ja, is dat kind een zoon? Tja, wie weet.

Mantel analyseert hoe vrouwen een eigen strategie kunnen voeren met het raadsel van hun buik. Anne Boleyn schonk in Wolf Hall Henry VIII een dochter (die later de beroemde ‘virgin queen’ Elizabeth I zal worden, maar zo ver is het nog lang niet). In Bring Up the Bodies werkt ze aan een zoon. In afwachting van succes doet Anne Boleyn in machtsmisbruik en intriges voor niemand, man noch vrouw, onder.

Intussen bruist het koninklijke testosteron. Met enorme gevolgen voor iedereen, aan het hof en in het land.

Net als in Wolf Hall gaat Mantel te werk als een detective. Op basis van kleine aanwijzingen ontfutselt ze een meeslepend verhaal aan de geschiedenis. „Geef me één feitje. Vertel me dat iemand van rode poon houdt – dan kan ik iets doen”, legde ze vorig jaar uit in deze krant. Ze blaast in de geschiedenis gestolde figuren leven in met details waarvan je niet wist dat je ze wilde weten.

Maar inderdaad, je wílt ze weten, want ze dragen bij aan diepte en breedte van het verhaal, ook die pudding in de vorm van een fort, met eetbare boogschuttertjes erlangs. Of Anne Boleyn die per ongeluk bij een jachtpartij een pijl in een koe heeft geschoten en Henry die de boer schadeloos moet stellen. Zoiets brengt Mantel niet lichtvaardig te berde, een zinnetje in een kasboek zal aanleiding geweest zijn, maar je ziet ze voor je, Henry geërgerd over het verstoren van zijn jachtpartij, Anne ‘niet in staat tot verlegenheid’.

Gretig

Mantel interpreteert en denkt door. Ze doet wat de historicus niet mag, maar zij wel want ze schrijft een roman, en dat doet ze gretig. Het leidt tot prachtig, inventief proza. Verliest Henry VIII zijn hoed, dan heeft aan het einde van de dag iedereen een zonverbrande kop, want gaat de koning blootshoofds dan mag niemand meer iets op zijn hoofd. Aan anachronismen doet ze niet. In haar metaforen houdt ze zich aan de periode die ze beschrijft en voor de dialogen houdt ze een archaïsche spreekstijl aan. Omdat ze zo’n goede schrijver is, wordt het nooit stijf: de ondertoon is van Shakespeare, de boventoon is van haar en licht.

Aan het eind van Bring Up the Bodies verliest Thomas Cromwell het voordeel van onze twijfel. Mantel ontmaskert hem als de onverbeterlijke parvenu, en daarmee als tragische mens. Hij doorziet Henry VIII, en dat maakt geen verschil. Hij is verslaafd aan het feit dat deze koning zich afhankelijk maakt van hem, een arbeiderszoon, om zijn meest intieme problemen op te lossen. Hij blijft hem trouw dienen, zonder voorbehoud. Hij is de hond, Henry is zijn baas. Hij kan niet terug, maar dat wil hij ook niet.

Aan het slot staat hij sterk. Hij heeft Jane Seymour nog te gaan, pas Henry’s vierde huwelijk zal hem noodlottig worden.

‘Eindes bestaan niet’ schrijft Hilary Mantel in de laatste regels van Bring Up the Bodies. ‘Als je dat denkt vergis je je in hun aard. Ze zijn allemaal een nieuw begin. Hier is er één.’ Die uitsmijter is een belofte. Mantel is ons een laatste roman schuldig over Thomas Cromwell en Henry VIII.

Ik kan niet wachten.

    • Joyce Roodnat