Van winden laten wordt het volk beter

Hernán Rivera Letelier: De christus van Elqui. Vert. M. Vanderzee. Signatuur, 277 blz. € 17,95

Zonderlinge en charismatische predikers zijn in de Latijns-Amerikaanse literatuur vertrouwde figuren. Zo’n dertig jaar geleden richtte Mario Vargas Llosa er met De oorlog van het einde van de wereld een moeilijk te evenaren monument voor op – al moest dat boek vooral als waarschuwing worden gezien. Met de militante bevlogenheid van de ‘Raadgever’ Antonio Conselheiro, die eind 19de eeuw in Noordoost-Brazilië een nieuwe wereld aankondigde, kon de rationeel-liberale Vargas Llosa moeilijk overweg.

Ook de Chileense schrijver Hernán Rivera Letelier heeft met De christus van Elqui een portret geschilderd van een prediker die plotseling een grote schare volgelingen krijgt. En ook hij liet zich inspireren door een historische figuur. Domingo Zárate Vega trok rond in de jaren dertig en veertig, vooral in het noorden van Chili waar Letelier zelf vandaan komt.

De ‘christus van Elqui’ zoals Zárate Vega zich noemde, bracht geen militante strijdmacht op de been. Wel preekte hij een even merkwaardig mengsel van religieuze bevlogenheid, sociale ommekeer en platvloerse idiosyncrasieën als zijn Braziliaanse tegenhanger. Zag de ‘Raadgever’ de duivel in het metrieke stelsel, de Chileense christus bezwoer zijn volgelingen ter wille van hun welzijn vooral voldoende winden te laten.

Letelier tekent zijn ‘christus’ eerder met compassie dan met afschuw. Makkelijk heeft die laatste het dan ook niet. Naast ontzag oogst hij de nodige spot – vooral van de arbeiders in de Noord-Chileense salpetermijnen die hij in hun behoeftige dorpen opzoekt.

Daarmee is Letelier op vertrouwd terrein. Zelf was hij ooit mijnwerker in de streek die hij beschrijft, en ook zijn sprookjesachtige novelle De filmvertelster, die vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen, speelde zich in die contreien af. Overtuigend beschrijft Letelier de ruwe en primitieve omstandigheden waaronder de mijnwerkers moeten leven.

Daaruit vloeit zowel een wrede humor als een onverwachte tederheid voort. In De christus van Elqui wordt die vooral belichaamd door de godvruchtige hoer Magdalena. Zij is de ideale volgelinge met wie de zelfbenoemde ‘christus’ graag het land zou doortrekken. Maar daarmee komt hij in conflict met de mijnwerkers, die zich van hun vrouwelijke troost beroofd zien.

Uiteindelijk blijft alles bij het oude – en trekt de prediker eenzaam weg, de vergetelheid tegemoet waarin ook zijn historische voorbeeld zou verdwijnen.

Letelier heeft hem nu tot een volwaardige romanfiguur gemaakt. Hij deed dat lang niet zo episch als Vargas Llosa en ook niet met de ontroering waarmee hij zijn ‘filmver telster’ schilderde. De ‘christus van Elqui’ is bij hem eerder een deerniswekkende dan een imposante verschijning. Hij is wonderlijk op het magische af, maar de literaire gemeenplaatsen van de Latijns-Amerikaanse literatuur hebben op dit boek geen vat. Hoe bizar de wereld van Letelier ook mag lijken, in het barre noord-Chileense mijngebied ging het er waarschijnlijk precies zó aan toe als hij beschrijft.