Russische goals brengen de meeste extase

Politici kunnen niet van voetbal afblijven, want onschuldig vermaak is beter voor hen dan revolutie. De choreografie van de massa brengt extase en verrukking.

Het ware genot van voetbal is de menigte. Niet de lange schoten over en weer of het wachten op de corner en het alsmaar niet scoren is de kern. Het gaat om de besmettelijke gevoelens in een voorspel van verwachting, teleurstelling, opnieuw hoop. Hoe meer er net niet gebeurt, hoe meer de stemming zich laadt, net erotiek. Het opzwepende aah en ohh tussendoor. En dan de stemmingsexplosie, als je eigen club scoort. Of samen lijden aan een depressie. Zonder dat klankbord van tientallen, duizenden, zelfs miljoenen zou er weinig aan zijn. Populaire sport hoeft niet razendsnel of gewelddadig. Amerika’s geliefde rituele sporten, baseball en American football, zijn nog trager. Een televisiemaker zou nooit het programma ‘voetbal’ opnieuw verzinnen, laat staan er een videogame van maken.

Aan de regie van deze collectieve verrukking heeft de Akademie der Künste in Berlijn een tentoonstelling gewijd: De choreografie van de massa’s. Overweldigend was de film op drie schermen naast elkaar. Ritmisch bewegende individuen in de hoofdrol, gezamenlijk turnende jongens, hordes bewegende vrouwen tot en met synchroon gymmende mannen in China. Cheerleaders. Beelden van scholen haringen, wolken spreeuwen, elkaar aanhitsend tot meebewegen. Ik hoorde telkens herhaald die massale stadionschreeuw die inwerkt op mijn eigen kudde-instinct om mee te juichen, te springen en te roepen.

Verderop een expositie van de stadions waar de massa’s worden geregisseerd. Beelden van de Ringe der aufwölbende Luftstützen in de sporttempel van Kiev, het von Flutlicht erleuchteten Dachmembranen voorziene stadion van Warschau. Het Duits in de mooie catalogus zegt genoeg. Het open tentenplafond van het Olympische stadion in München uit 1972 toonde een nieuw, democratisch West-Duitsland. „De opgewekte Spelen”, noemen graficus Klaus Staeck en choreograaf Johannes Odenthal de Münchense vormgeving, versus de „propagandistische enscenering” van Leni Riefenstahl.

Voetbal wordt wel nog steeds in de schaduw van de politiek genoten. Een paar honderd meter verwijderd van de kunstacademie staan pal voor de Reichstag, het Duitse parlement, schermen opgesteld, opdat honderdduizenden Duitsers daar elke avond met bier en worst naar de prestaties van hun team kunnen kijken.

Politici kunnen niet van voetbal afblijven. „Waarom zou men zich niet van middelen bedienen die nauwelijks slachtoffers vergen en die de goede zeden herstellen door de prikkel van het genot?”, schreef de achttiende-eeuwse Franse architect Étienne-Louis Boullée. Maar het massagenot in nazi-Duitsland maakte veel slachtoffers. En de voetbalvandaal is geen voorbeeld van goede zeden. Des te meer reden om daar toch greep op te krijgen. Als de politiek indertijd naar Boullée had geluisterd, was de Franse Revolutie misschien minder bloedig geweest. Vandaar dat grote voetbalwedstrijden meestal op publieke en niet op commerciële zenders worden uitgezonden en steden zich failliet betalen aan te grote stadions. In principe zou voetbal particulier vermaak moeten zijn, maar de overheid kan er niet van afblijven. In de begeleidende catalogus wordt nog eens verteld hoe de Romeinse verzorgingsstaat het deed, gratis brood en circus voor het volk met leeuwen, gladiatoren die elkaar afslachtten en paarden. Honderdduizenden in het Circus Maximus.

Is het dan niet rechtvaardig dat het grootste land wint? Dan kunnen zo veel mogelijk mensen vier rondes spanning opbouwen. Beter kunnen 140 miljoen Russen gedurende vier rondes verrukt ooh en aah blijven roepen dan slechts 4,5 miljoen Ieren. Russen moeten het vaakst winnen. Is dat nu niet te veel eer voor de heerszuchtige Poetin? Ook de democratische crediteurnatie Duitsland kan beter wat minder op de voorgrond staan. Of ze moeten echt over de brug komen. Schenk anders de extase aan een schuldenland, Italië of Spanje. Als pijnstiller.

    • Maarten Huygen