Man met beer

Eerst wilde ik mijn ogen niet geloven, terwijl ik de man op het perron in Den Haag naar mijn trein zag lopen. Maar toen hij mijn coupé binnenstapte, moest ik wel.

Het was een gedrongen man met tatoeages op zijn stevige armen, een vriendelijk gezicht en een zonnebril op zijn stekeltjeshaar geplant. Hij keek zoekend rond terwijl hij een reusachtige ijsbeer voor zich uit droeg. Hij hield het dier enkele decimeters boven de vloer, zodat het hem in lengte overtrof. Zou er plaats zijn voor hun tweetjes? Ongetwijfeld had hij om die reden voor de eerste klas gekozen.

Hij sjokte naar het midden van de coupé waar twee paar stoelen leeg tegenover elkaar stonden. Hij plantte de ijsbeer op een stoel en ging ernaast zitten, bij het raam. Ik zat er vlak achter en zag van het duo nu alleen nog de achterkop van de ijsbeer die royaal boven de hoofdsteun uitkwam.

Ik legde mijn boek weg in het besef dat er interessante dingen stonden te gebeuren. Hoe zouden de reizigers op dit verrassende tweetal reageren? De paar reizigers die net als ik al in de trein zaten, hadden een afwachtende houding aangenomen. Met een mengeling van ongeloof en hilariteit keken ze toe.

„Heb je ook een kaartje voor hem?” vroeg iemand.

De man knikte glimlachend.

De vraag was welke indruk het duo zou maken op reizigers die onvoorbereid bij een tussenstop binnenstapten. Zelf reis ik al mijn halve leven per trein zonder er ooit een ander dier dan een kat (in een mandje) of een hond (aan de lijn) te zijn tegengekomen.

De reacties waren zeer uiteenlopend, maar er vielen wel enkele patronen te onderscheiden. Sommige mensen lieten zich niet kennen en liepen er met een onbewogen gezicht langs, alsof ze dagelijks in de trein een man met een ijsbeer tegenkwamen. Anderen bleven even staan, schoten in de lach en stelden de eigenaar enkele vragen. Eén man ging zonder op of om te kijken aan de andere kant van het gangpad zitten, pakte een krant uit zijn tas, stond toen ineens op met zijn mobieltje in de hand en vroeg op vlakke toon aan de man van de ijsbeer: „Mag ik jullie fotograferen?”

„Natuurlijk”, lachte de man.

Het interessantst was de reactie van de reiziger, een veertiger in een maatpak, die een ogenblik overwoog in de stoel tegenover de ijsbeer plaats te nemen. Hij keek strak naar het dier, toen naar de man ernaast, vervolgens liet hij zijn blik rusten op de vrije zitplaats naast mij. Vermoedelijk stelde hij zich in een flits dezelfde vraag als menigeen bij de eerste aanblik: hij is toch niet echt? Toen nam hij zijn beslissing: liever naast een mens (hij kon niet weten dat het een columnist was) dan tegenover een ijsbeer, ook al was het dan een namaakijsbeer.

Terwijl de reis vorderde, bevredigde de man onze nieuwsgierigheid. „Hij komt uit een parfumerie in Antwerpen. Ik heb hem daar een paar jaar geleden gefotografeerd. Toen ik er laatst weer eens langsliep, zag ik dat de zaak voorgoed gesloten zou worden. Ik mocht de beer gratis hebben. Mooi meegenomen, want die dingen zijn verrekte duur. Het leek me leuk voor mijn dochter.”

„Weet ze ervan?” vroeg iemand.

„Jawel, maar niet hoe groot hij is.”

Hij moest er in Haarlem uit. „Ik moet nog een stuk met de bus.”

„Succes”, zei ik.

„Hij is gelukkig veel lichter dan hij lijkt”, zei de man.

Even later zag ik hem over het perron zeulen – de man die veel voor zijn dochter overhad.