Let op de 10.000 uur-regel

Josh Ritter

Josh Ritter: De wonderjaren van Henry Bright. Vertaald door Ronald Cohen. Nijgh & Van Ditmar, 288 blz. € 19,95

In 1965 gaf Bob Dylan een legendarische persconferentie in San Francisco, waarbij de vragenstellers onder de dertig hem als een profeet behandelden en de ouderen van hem wilden weten wat er nu zo bijzonder aan hem was. De opnames zijn op YouTube te vinden. Het is een absurd schouwspel, waarbij de meest uiteenlopende vragen op de nu eens spottende, dan weer geamuseerde muzikant worden afgevuurd. Maar als een verlegen jongen vraagt of Dylan ‘ooit zal schilderen en beeldhouwen’, komt er een dromerige glimlach op zijn gezicht en zegt hij bijna met een zucht van geluk: ‘Oh yes. Oh sure.’ Er volgt een moment van ontwapende stilte en we zien enkele mensen in de zaal knikken met net zulke verliefde blikken. De boodschap is duidelijk: kunst is de mooiste manier om je te uiten, en als je een kunstenaar bent, waarom zou je je dan tot één vorm beperken?

Maar om ergens echt goed in te worden, heb je oefening nodig. De Amerikaanse psycholoog K. Anders Ericsson berekende eind jaren negentig zelfs hoeveel. Hij kwam tot de 10.000 uur-regel, gepopulariseerd door Malcom Gladwell en zijn roman Uitblinkers (2009). Hoe vaak kun je zoveel toewijding en concentratie opbrengen in een leven om die standaard te bereiken? Bob Dylan zou inderdaad gaan schilderen, maar zijn doeken werden nooit zo goed als zijn liedjes.

De muzikant Josh Ritter week voor zijn debuutroman De wonderjaren van Henry Bright uit naar de literatuur. Hij is net als Bob Dylan een folkzanger en een groot romanticus, die de beperking tot één kunstgenre als irrelevant beschouwt. Een van Ritters grote helden is Leonard Cohen, die de weg ooit andersom bewandelde en van een in kleine kring gewaardeerde schrijver uitgroeide tot een wereldberoemde muzikant.

Ritter (Idaho, 1976) debuteerde in 1999 met een titelloos album en zijn gevoelige, verhalende liedjes wekten al snel de interesse van de folkgemeenschap. Zes studioalbums en een aantal liveopnames later is hij niet bekend bij het grote publiek, maar geliefd door zijn extreem trouwe fans met wie hij na shows vaak urenlang gesprekken voert. Recensenten loven zijn verhalende, ingetogen muziek en persoonlijkheid. Het Parool schreef over zijn laatste album ‘So Runs The World Away’ (2010): ‘Ritter vertelt zo goed, dat je bijna vergeet naar de sfeervolle begeleiding te luisteren.’ Op het eerste gezicht lijkt Ritters keuze voor een roman dan ook een logische stap. Zijn teksten zijn vaak net zo belangrijk als zijn muziek en zijn albums zijn de laatste jaren steeds meer om een narratief gaan draaien. De wonderjaren van Henry Bright was ook eigenlijk een nummer voor ‘So Runs The World’, maar paste niet in het grote plaatje en Ritter dacht bovendien dat hij voor dit verhaal meer ruimte nodig had – als een acteur die nu eens wilde regisseren.

Het verhaal bevat de elementen die we kennen uit Ritters muziek: de natuur, het oude Amerika, religie, magisch realisme en een klassieke held. De op het platteland van West-Virginia geboren Henry Bright vecht in Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. Daar krijgt hij voor het eerst de de stem van een engel te horen, die hem het leven redt. En die hem bij terugkomst gebiedt om de dochter van een in de buurt wonende kolonel te stelen. Wij ontmoeten Henry op het moment dat zijn vrouw gestorven is tijdens de bevalling van hun zoon en de engel (nu vermomd als paard) hem vertelt dat hij zijn huis in brand moet steken.

De roman wordt steeds vaker als een lichtzinnig uitstapje gezien, een ijdel terzijde, een projectje-on-the-side. Zeker in Nederland, waar acteurs, presentatoren en journalisten nogal eens een middelmatig tot afzichtelijk manuscript op tafel toveren, dat vervolgens met een verbazingwekkende gretigheid wordt uitgegeven. Josh Ritter valt niet in die categorie. De wonderjaren Van Henry Bright is een integer werk, met liefde geschreven. Maar het kan niet de kwaliteit van zijn albums leveren.

Het is een uitgebreid liedje geworden. Het verhaal is heel aardig, en op de beste momenten weet het de gruwelijkheden van de Eerste Wereldoorlog te verbinden met een sprookjesfantasie zoals in De Lange Zondag van de Verloving (1991) van Sebastien Japrisot (in 2004 verfilmd door Jean-Pierre ‘Amélie’ Jeunet) of te knipogen naar de starre, verknipte veteraan van Kurt Vonnegut uit Slachthuis Vijf (1969). Ritter heeft zeker ook schrijverskwaliteiten, die tot uiting komen in mooie beschrijvingen en kleurrijke personages.

Maar het geheel blijft te veel aan de oppervlakte, de personages blijven plat, het gedweep met het verleden en de flirt met religie gaan irriteren en alle drama raakt je amper. In een liedje was het prettig geweest om naar te luisteren, maar van 284 pagina’s verlang je meer. Als de schrijver dan ook nog met afzichtelijke metaforen gaat strooien (‘Zijn ribben waren net zo duidelijk te zien als de tralies van een lege gevangeniscel’) is het mooi geweest.

Misschien dat Ritter bereid is te stoppen met zijn muziek om wat langer dan een half jaar aan zijn schrijftalent te besteden. Volgens de 10.000 uur-regel heeft hij dan ongeveer zes jaar nodig.