Het luchtige spel van een academisch partijtje

Promoveren is in alle Europese landen een bijzonder feestje. Maar nergens is het met zo veel rituelen omkleed als in Nederland. Wie na een paar jaar onderzoek een proefschrift heeft geschreven, krijgt te maken met een academisch verkleedpartijtje vol eeuwenoude gebruiken – die met de grootste ernst in ere worden gehouden.

Allereerst moet het proefschrift worden goedgekeurd door een serie meelezende hoogleraren, ook wel de ‘leescommissie’ genaamd. Dit geleerde gezelschap mag gedurende het schrijfproces bezwaren indienen en opmerkingen meegeven ter verbetering. Typisch voor de vele formaliteiten is dat de commissieleden deze suggesties niet direct aan de promovendus doorgeven. Dat gaat via de promotor. De promotor is degene die de promovendus begeleidt. Ook de reacties van de promovendus op de opmerkingen van de commissie gaan weer via de promotor. Door deze indirecte communicatie ontstaat een suggestie van grote hiërarchie – alsof er warempel nooit een Franse Revolutie is geweest.

Vervolgens komt de dag van de promotie zelf. Op die dag heeft een kritische ondervraging van de promovendus plaats door in principe elke hoogleraar die van zijn ‘recht tot oppositie’ gebruik wenst te maken. Het antwoord op de vragen wordt verplicht voorafgegaan door de met strak gezicht uit te spreken aanspreekvorm: „hooggeleerde opponens”. Toch kan de verdediging volgens het reglement van de universiteit niet anders meer aflopen dan in een succes voor de promovendus. Het doet denken aan die oude omschrijving van voetbal: twee keer drie kwartier en uiteindelijk wint Duitsland.

De ceremonie heeft plaats in de aula of het academiegebouw van de universiteit. De promovendus wordt geflankeerd door twee ‘paranimfen’ – alweer uniek voor Nederland. Paranimfen zijn van oorsprong bedoeld om de promovendus te beschermen tegen al dan niet fysieke aanvallen van de academische goegemeente (dat waren nog eens tijden!). Maar tegenwoordig is het een erebaantje waar de promovendus zijn naaste vrienden of collega’s voor uitkiest. Ze gaan net als de promovendus gekleed in rokkostuum en staan hem de hele ceremonie ter zijde. Het meeste doen ze denken aan getuigen bij een huwelijk.

Op sommige Nederlandse universiteiten houdt de promovendus eerst een zogeheten ‘lekenpraatje’ – een uitleg van maximaal een kwartier aan het publiek over het onderwerp van zijn proefschrift. Zijn vrienden en familie hebben daarover in veel gevallen immers geen flauw idee.

Na dit kwartiertje komt een stoet hoogleraren in toga – een zogeheten ‘cortège’ – de zaal binnenlopen, aangevoerd door de pedel. Deze pedel draagt een traditioneel gewaad en heeft een grote rammelaar in de hand – de ‘scepter’, die de waardigheid van de universiteit symboliseert. Als de hoogleraren binnenkomen, hoort het publiek uit eerbetoon te gaan staan. De togadragers nemen plaats, zetten hun hoofddeksel (‘kaproen’) af, en krijgen vervolgens van de rector magnificus of zijn plaatsvervanger om de beurt de ruimte een vraag te stellen aan de promovendus.

Soms leidt dat tot een uitdagende gedachtewisseling. Andere keren domineert het wijsneuzige vliegen afvangen. Een hoogleraar draafde eens door over de gebruikte bronnen, en eindigde met de vraag of „de gebruikte bronnen wel deugdelijk waren”. Een listige promovendus antwoordde: „hooggeleerde opponens, het antwoord op deze vraag luidt bevestigend”. Punt.

Als dit steekspel drie kwartier heeft geduurd, komt de pedel weer binnen met de scepter en roept: „Hora est!” („Het is tijd!”). Meteen trekken de hoogleraren zich terug voor ernstig beraad (weer iedereen staan). Omdat de uitkomst al vaststaat, keren ze na enkele minuten maar weer terug met de bul (het diploma). De promotor verleent de promovendus zijn doctorstitel (u begrijpt het: wéér staan), doordringt hem van de „rechten en plichten” die deze titel met zich meebrengt, en spreekt een ‘laudatio’ uit – een lofrede. Hiermee eindigt de zitting en kan het feest beginnen.

Natuurlijk zouden er zonder dit verkleedpartijtje nog steeds proefschriften worden geschreven – zoals de situatie in het buitenland illustreert. Doctorstitels zouden nog steeds worden verleend. Toch vervullen de rituelen een belangrijke, dubbele functie: ze geven gewicht aan de promotie, maar maken die tegelijk luchtiger. Het krijgt iets van een spel. De cultuurhistoricus Johan Huizinga zag in dergelijk spel een voorwaarde voor beschaving. Niet alleen door de rijke tradities die zo ontstaan, maar ook doordat meningsverschillen kunnen worden gerelativeerd. Je speelt immers toch maar een rol. Door de afwisseling van ernst en ironie blijf je op de bal spelen, niet op de man. Het maakt alles een stuk vrolijker.

Volgende week ben ik zelf aan de beurt voor deze wonderlijke plechtigheid. Op donderdag 21 juni verdedig ik om 16.00 uur mijn proefschrift in het Academiegebouw aan het Rapenburg in Leiden. Het blijft ondanks alle spel toch best een beetje spannend – en wie weet zie ik een van de lezers van deze column er nog wel terug. Drankjes na afloop zijn in elk geval op mijn rekening.

    • Thierry Baudet