De Televisieserievloek

Gisteren had David Pefko het over zijn liefde voor televisieseries. Het is iets wat ik heel erg herken – dat je een nieuwe serie of een nieuw tv-programma hebt ontdekt en er zo veel van houdt dat je op onbewaakte momenten tekeningetjes van jezelf en de serie maakt terwijl jullie een ontspannen midweek in de Dordogne beleven. Op dat moment wil je die liefde delen, want verliefde mensen voelen altijd de behoefte om hun omgeving erbij te betrekken. Dus je zorgt ervoor dat je de volgende aflevering met een vriend gaat kijken. „Het is dus Bonje met de Buren”, zeg je van tevoren, jezelf alvast verheugend. „En in elke aflevering worden mensen helemaal koekkoek, en gaan ze boomblaadjes door elkaars brievenbus duwen afkomstig van de boom die ze weg willen, of gaan ze in een boekje opschrijven wat iemand per minuut uitvoert, of gaan ze nadoen hoe de ander door de kamer stampt. Het is geweldig.”

Maar meestal word ik dan het slachtoffer van De Televisieserievloek: zodra de aflevering bezig is, merk ik na tien minuten: dit is geen leuke aflevering. „Oké…” probeer ik twijfelend. „Nou, deze meneer zégt nu misschien nog wel dat hij het allemaal redelijk wil oplossen, maar… o, hij wil het geloof ik echt redelijk oplossen. Hm. Maar nu loopt die vrouw naar zijn huis, misschien gaat ze wel haar naam in zijn moestuin plassen… Nee, ze gaan gewoon een kop thee drinken om erover te praten.”

De Televisieserievloek is streng: ‘Zodra gij uw lievelingsserie aan iemand wil laten zien, zal net die aflevering verschijnen waarin alles saai is, alles veel te goed afloopt, of – in het geval van een comedyserie – waarin de tekstschrijvers geen zin hadden en toen maar besloten een van de hoofdpersonen de hele aflevering in travestie op te voeren.’

De enige manier om de Televisievloek te voorkomen, is: berekenend aanprijzen. Vooraf bejubelen leidt alleen maar tot deceptie. Het is een wet die niet alleen voor tv-programma’s geldt, maar vooral ook voor films: zodra iemand van al zijn vrienden hoort: „Dit is een geweldige film! Je moet hem zien! Het zal voorgoed je beeld veranderen over huurmoordenaars!”, weet je eigenlijk al: dat kan nooit goed aflopen. Zo’n film valt altijd tegen en teleurstelling, lichte irritatie en wantrouwen naar de vrienden (en huurmoordenaars) zijn het gevolg. Of, wat misschien wel nog erger is, de aanprijzing: „Je moet deze film echt gaan zien. Het is écht iets voor jou.” (Daarmee zeg je namelijk: „Jazeker, ik doorgrond jou. Jij hebt geen geheimen voor me. Ga nu maar naar die film, lief open boek van me, en wel daarna een martini drinken zoals je altijd doet hè!”)

Als ik heel erg hoop dat iemand naar een film toe zal gaan, probeer ik het meestal dan ook liever zo: „Ja... Je kúnt erheen gaan. Ik kan er niet te veel over zeggen. Ik zou het toch wel doen, als ik jou was.” Pas als iemand vervolgens naar de film is geweest en iets vertelt als „Ik vond het eigenlijk heel goed! Interessant ook, de tragiek rond die huurmoordenaar!”, kun je uitroepen hoe geweldig het was. Want achteraf jubelen is altíjd een goed idee.

    • Renske de Greef