De servicemens kan zonder eigen auto

Op locatie in een showroom toont Wunderbaum onze liefde voor de auto. „Toen Elvis een Cadillac kocht, wilde iedereen een Cadillac.”

In de showroom van autobedrijf Van Vloten in Amsterdam-Noord zijn alle auto’s voorzien van een Holland Festival-aanbieding: „Tot € 1500 extra voordeel bij aanschaf van een nieuwe of gebruikte Volvo + diner voor twee personen + 2 kaartjes voor een voorstelling van Toneelgroep Amsterdam.”

Waarom zijn dat eigenlijk geen kaartjes voor Wunderbaum, vraagt acteur Walter Bart zich terecht af. Want het is immers zijn theatergroep die het Holland Festival naar het autobedrijf brengt.

Wunderbaum speelt Detroit dealers in de bovenzaal van Van Vloten, tussen de occasions. Het is een voorstelling die reflecteert op onze innige relatie met de auto, uitlopend op een sprookje over duurzame economie.

De opa van Bart was autohandelaar voor Opel in de jaren zestig. „Dat fascineerde me.” Bij een werkbezoek aan Detroit, stad van Ford, Chrysler en Cadillac, kreeg de autohandelaar kennis aan een zangeres van een soulclub. Walter Bart ging met collega Maartje Remmers op zoek naar de Amerikaanse familie die hem dat opleverde. Ze vonden de kleindochter, zijn nicht Rosemarie Wilson.

Dat zien we in in een Spoorloos-achtig filmpje, waarna Bart zijn nicht live introduceert op het podium.

Detroit is ook de stad van Motown en zo komt de muziek in de voorstelling. Wilson doet in haar vrije tijd aan spoken word en rap. Dat bracht Bart op het idee de botsing tussen hun opvattingen in de vorm van een rapbattle te gieten. Zij is een soort Missy Elliot, zegt hij.

Het is een harde confrontatie tussen de op auto’s verliefde Amerikaanse en fietsfanaat Walter Bart. Wilson, in vertaling: „Terwijl je fietst, heeft je scrotum klem gezeten, blauwe ballen zodat je seks kan vergeten.” Bart: „Maar als ik al lig te neuken, sta jij nog stil voor een verkeerslicht.”

In een scène bij de repetitie gisteren laat Wilson horen hoe ze steeds een grotere nodig had, elke keer als ze een auto kocht. Verlekkerd vertelt ze wat voor gevoel haar dat geeft, terwijl ze doet alsof ze aan een stuur draait: „Rolling like a big shot!”

Bart ziet het belang dat wij aan de auto hechten teruglopen, parallel aan een mentaliteitsverandering. Er ontstaat een nieuwe menssoort, heeft hij ontdekt: „De servicemens.” Onze houding ten opzichte van bezit is langzaam maar radicaal aan het veranderen. „Als we toegang hebben tot bepaalde diensten is eigendom geen issue meer.”

Die verschuiving is al goed zichtbaar bij muziek, zegt Bart. „Je hebt geen cd’s, maar toegang tot Spotify. Die kant gaat het ook op met auto’s.”

De auto-Spotify is dan het systeem van autodelen, zoals bij Car2Go, GreenWheels en MyWheels, waarbij auto’s ‘openbaar vervoer’ worden, met een systeem van pasjes.

Dat geeft een onmetelijk ander gevoel, stelt Bart, want de auto was altijd privé, een sekssymbool en een manier van leven. „Een auto werd vanaf de jaren zestig een verlengstuk van je identiteit, van je mannelijkheid meestal. Toen Elvis een Cadillac kocht, wilde iedereen een Cadillac. Met een auto kochten jongeren hun vrijheid. De auto was cool, net als spijkerbroeken en rock-’n-roll.”

Inmiddels, denkt Bart, voelen mensen zich vrijer zonder auto. „Geen gezeur met apk, geen wroeging over het milieu, geen wegenbelasting.” Op de vraag of het nieuwe menstype ook socialer en verantwoordelijker is, schiet Bart in de lach. „Ik ben bang dat we niet meteen betere mensen worden.”

Bart heeft wel een auto, een oude Peugeot 306. „Maar door het maken van dit stuk denk ik erover hem te verloten tijdens de voorstelling. Hij is nog 400 euro waard en elke keer als ik hem naar de garage breng kost het me ook 400 euro.”

De derde acteur in de voorstelling, Maartje Remmers, speelt drie keer een auto. Ze heeft goed naar de film Cars gekeken, grapt Bart. Remmers spreekt vanuit het perspectief van de auto in de ik-vorm. Bart: „De eerste keer is ze een Marilyn Monroe-seksauto uit de jaren zestig, dan een vermoeide, kuchende vrouw, zoals auto’s nu, de derde is de future car, die ze in een soort robotstijl uitbeeldt.

Die toekomstige auto begint Remmers bij de repetitie met de bezwerende woorden: „I have a dream. I am electric. I am an electric dream.”

Hoe het autogevoel verandert, lees je af aan hun namen. Bart: „Niet meer lekker primitief Thunderbird of Mustang. Nu heten ze zachter, Prius of iOn.” Zelfs dichtslaande autodeuren klinken fluffy. „Niet meer kadeng!! Maar zzzzz.” Dat is niet tuttig, stelt Bart optimistisch. „Dat zoeven kan het nieuwe ruig worden!”

Muzikant Bo Koek heeft een soundtrack voor de elektrische auto gecomponeerd, want die heeft een imagoprobleem. „Best wel een hit”, denkt Bart. „Dat kan kunst doen, iets verzinnen dat nieuwe auto’s weer cool als Elvis maakt.”

Wunderbaum: ‘Detroit dealers’, op Holland Festival t/m 21/6. Ook nog komend seizoen te zien. Inl: wunderbaum.nl