De gekte van bunkerklussen

Foto’s van David Galjaard uit besproken boek

David Galjaard: Concresco. € 45,-. Speciale editie met foto-print: € 150,-. ISBN 978-94-6190-781-3. www.davidgaljaard.nl/shop.php

Albanië als vakantiebestemming ligt niet echt voor de hand. Het eerste wat ik over dat land hoorde was dat er zwemmers in ’s zomers zeewater werden doodgeschoten. Ze zouden wel eens te ver van de kust kunnen afdrijven en in een vrij land als Italië kunnen aanspoelen. Als kind onthoud je zoiets.

De kust is er nu veilig, maar decennia van achterstallig onderhoud, gecombineerd met de blijkbaar algemeen geldende regel dat je buiten de deur dumpt wat je dumpen kunt, maken dat de openbare ruimte – van wegen tot huizen, van bruggen tot bedrijfsterreinen – bezaaid ligt met puin en plastic zooi.

Dat vertellen de foto’s van David Galjaard, die in totaal zo’n vier maanden in het land doorbracht. Hij gaf er onlangs in eigen beheer een boek over uit, Concresco (Beton) met zestig dubbelpagina-opnamen. Geen globale inventarisatie van de ravage die werd nagelaten door de extreem paranoïde Enver Hoxha – van 1944 tot zijn dood in 1985 secretaris-generaal van de Albanese Partij van de Arbeid –, een leider die dankzij steun van maoïstisch China de tiran kon uithangen. Galjaard was gefascineerd door iets anders: de bunkers die verspreid door het hele land verrezen, en wegrotten.

Buitenwereld

Zo’n 700.000 manshoge, betonnen paddestoelen moesten de bevolking van destijds (zo’n 2,7 miljoen Albanezen – een bunker per gezin van vier) beschermen tegen de bloeddorstige buitenwereld. Die strekte zich uit van de toenmalige Sovjet-Unie tot en met Amerika. Geen land of het wilde wel korte metten maken met Albanië, 0,8 keer zo groot als Nederland. Dat dacht althans Hoxha nadat hij het lidmaatschap van het Warschau Pact in 1968 had opgezegd.

De bevolking schijnt zich destijds enthousiast op het bunkerbouwen te hebben gestort. Wie het in enthousiasme liet afweten, kon namelijk rekenen op vijfentwintig jaar gevangenisstraf. En in het gevang voerden Hoxha’s partijvrienden een scala aan martelingen uit, die schrijver en Balkan-kenner Jaap Scholten achterin het boek afstotend nauwkeurig heeft opgesomd.

Daar staan ze dan, de pillendozen, zoals de Kroatische schrijfster Slavenka Drakulic ze beschrijft in weer een andere, persoonlijke tekstbijdrage, overgenomen uit haar boek Café Europa (1996). Galjaard fotografeerde de dozen op akkers, langs dorpswegen, in tuintjes, langs de kust, op schoolpleinen, in het water en op begraafplaatsen. Daarbij lijkt hij nogal achteloos te werk te zijn gegaan, net zo achteloos als die bunkers destijds zijn neergepoot. Maar dat is schijn, je ziet veel meer dan je in eerste instantie beseft. De koepeltjes van de bunkers, voorzien van een breed kijkgat – ideaal doelwit voor al die schietgrage vijanden – hangen er vaak bij als wankele pannendeksels. De ronde onderbouw ligt half in gruzelementen of in brokken verspreid in het landschap. Andere bunkers zijn niet kapot te krijgen, doen dienst als ‘ornament’ in een nieuwe, stenen schutting of zakken weg onder oprukkend groen.

Gezien het aantal bunkers, de weidse spreiding en Galjaards variabele invalshoek krijg je een caleidoscopisch beeld van Albanië. Het binnenland is nogal leeg en grijs, de kust leeg en mediterraan. De exacte locaties zijn bij de foto’s niet vermeld, en dat is jammer, want je wilt weten waar die besneeuwde bergtoppen liggen en waar dat nieuwe, felblauwe flatgebouw staat, met pal naast de ingang een wel erg grote, scheefgetrokken bunker. Blijkbaar was er geen sloophamer tegenop gewassen. In dat bouwsel zou je nu een cynische architectengrap kunnen zien, over het alziend oog bijvoorbeeld. Maar die spot en ruimdenkendheid lijken me te prematuur na veertig jaar dictatuur.

Kapotte rug

Behalve de lezenswaardige stukken van Scholten en Drakulic zijn er tussen de foto’s op kleine inlegvellen ook nog korte interviews met Albanezen opgenomen. Breek ze niet af, bepleit een hoogleraar die een kapotte rug aan het bunkerklussen overhield. Knap ze op als cultuurmonumenten. Beschilder ze gezellig, zegt een journalist, zoals kinderen aan de kust al hebben gedaan. Weg ermee, zegt een ander, die ze ondanks zijn sloopzucht niet opgeruimd krijgt. Een enkele middenstander integreerde de paddenstoel in zijn horecaonderneming, als tapplek. Maar de meeste bunkers lijken nu dienst te doen als urinoir, afvalstortplaats of als een schuilplek van geliefden (waar ze ten tijde van de staatsterreur ook wel eens stiekem toe dienden). Dan blijkt dat je van de daar natuurlijk weer achtergelaten rotzooi esthetische close-ups kan maken, zoals Galjaard ook deed.

Een paar geïnterviewden in het boek hopen overigens van harte dat hun land snel toetreedt tot de Europese Unie. Dat lijkt gezien de ingetreden eurocrisis een achterhaalde wensdroom. Maar dat is het niet, want dezelfde wakkere journalist Edvin Parruca verwacht dat uit het bankroete Griekenland 500.000 Albanezen huiswaarts trekken. Over de grens staat geen baas ze op te wachten. De meesten moeten voortbestaan als zzp’er, misschien wel opererend vanuit zo’n zelfde paddestoel.

Er is trouwens, afgaande op de laatste foto in het boek, een productie van miniatuurbunkers op gang gekomen ter grootte van een ontbijtbord. Maffe souvenirs voor de buitenlandse toeristen waar op Galjaards beelden nog elk spoor van ontbreekt.

    • Marianne Vermeijden