De Bovenbazen (31)

Het vangen van spinnen is geen gemakkelijk werk en vooral de bruine sluiper is moeilijk te vatten. Heer Ollie zette echter door. Maar het zou te ver voeren om een volledig verslag van de tocht naar de onbesmette streek in het Zuiden te geven, en ik wil dus slechts vaststellen dat men de beide reizigers op een morgen het vliegveld weer kon zien verlaten. Bij de uitgang werden ze opgewacht door de heer Steenbreek.

‘Welkom, obb,’ sprak de secretaris vormelijk. ‘Uw reis is voorspoedig verlopen, naar ik hoop?’

‘Zeker,’ zei heer Ollie. ‘Erg goed, hoor. Maar mijn naam is Bommel en niet obb.’

‘O juist,’ hernam de ander koeltjes. ‘Ik ben blij dat te horen. Mag ik nu dan even vragen, wie dit hier is? U hebt toch geen onvermogende een gratis reisje bezorgd? Wanneer deze niemand heeft meegereisd, zal hij moeten betalen, dat spreekt!’

‘Dit is geen niemand,’ zei heer Bommel glimlachend. ‘Dit is mijn jonge vriend Tom Poes, die mij geholpen heeft bij het spinnen vangen.’

De secretaris zette grote ogen op.

‘Wat?’ riep hij uit. ‘Met spinnen vangen? U bedoelt toch niet…’

‘Spinnen bedoel ik,’ gaf heer Bommel toe. ‘Bruine sluipers. Tegen de kevers, als u begrijpt, wat ik bedoel. De ddt deugt niet.’

    • Marten Toonder