Blijf in de rij, en sluit de skybox

De succesvolle Harvard-filosoof Michael Sandel laat met veel voorbeelden de ‘corrosie van karakter’ zien die de vrije markt veroorzaakt. De moraal moet terugkeren in de maatschappij, vindt hij. Maar welke moraal dan precies?

Michael Sandel

Michael Sandel: What Money can’t Buy. The Moral Limits of Markets. Allen Lane, 244 blz € 16,-. Vertaald door K. van Klaveren en D. Lagrand als: Niet alles is te koop. De morele grenzen van marktwerking. Ten Have, 288 blz. € 19,95

Je zou zeggen dat het doodeenvoudig is. Een economisch stelsel dat gebaseerd is op een laag instinct als het najagen van eigenbelang heeft een solide basis, maar moreel verheffend is het waarschijnlijk niet.

In What Money Can’t Buy, The Moral Limits of Markets van Harvard-docent en filosoof Michael Sandel ís het ook zo eenvoudig. Volgens Sandel zijn economische waarden binnengeslopen in levenssferen waar ze niet thuishoren. Transacties dreigen de plaats in te nemen van altruïsme, gedeelde smart, zorg, liefde, democratische gezindheid en allerlei andere deugden. Baby’s, organen, liefde en de dood van onze naasten, je kunt het zo gek niet bedenken of het wordt verhandeld.

Adoptiebaby’s veilen in plaats van toewijzen? Drugsverslaafde moeders betalen om zich te laten aborteren? Advertentieruimte op je voorhoofd aanbieden? Levensverzekeringen van terminaal zieken bundelen om die door te verkopen? Is er een grens?

What Money can’t Buy bestaat uit een lange rij van dit soort tamelijk uitzinnige en veelal Amerikaanse voorbeelden. Het verkennen van morele dilemma’s is Sandels handelsmerk. Zijn Harvard-college over rechtvaardigheid is een hit op YouTube, het bijbehorende boek Justice werd een bestseller, hij spreekt op TED Conferenties. Met dit nieuwe boek doet hij er nog een schepje bovenop, waarmee hij zo’n beetje de Al Gore van het morele dilemma lijkt te worden.

Sandel is ervan overtuigd dat achter de ‘ideologische foodfights’ tussen politici vraagstukken van morele aard verborgen liggen. In plaats van elkaar doof te schreeuwen doen mensen er dan beter aan gezamenlijk te zoeken naar hun morele grenzen, ongeveer dus zoals Sandel ze dat laat doen, inmiddels allang niet meer alleen voor collegezalen maar ook voor een zakenpubliek dat er grif voor betaalt.

In What Money can’t Buy draait het om de grens tussen marktwerking en democratie. Neem bijvoorbeeld ‘speedy boarding’, het meer betalen om de rij op het vliegveld over te kunnen slaan. Een vrije keuze zou je zeggen, maar volgens Sandel is met dat argument iets mis.

Misschien kan de luchthaven met het geld dat de speedboarders betalen anderen helpen. Maar als rijke mensen zich uitkopen uit het gedeelde lot van wachten, deugt dat vanuit democratisch oogpunt niet: de rij is immers een plek waar iedereen gelijk is. Iets dergelijks geldt in de zorg, waar in de Verenigde Staten mensen een conciërgedokter kunnen inhuren: een arts die 24 uur per dag voor ze klaarstaat.

Met dit soort eenvoudige situaties illustreert Sandel zijn stellingen. Dat zijn er twee: het marktmechanisme geeft niet werkelijk een vrije keuze zolang het speelveld niet gelijk is; een arme Indische boer kan moeilijk weigeren zijn nier te verkopen als hij anders omkomt van de honger. Economisch gezien is hier wellicht sprake van een win-win situatie (doordat de boer kiest zijn nier aan een rijke te verkopen, kan hij zijn situatie verbeteren), maar moreel gezien is deze keuze niet werkelijk vrij en ook niet wenselijk.

Sandels tweede argument houdt daarmee verband: het inzetten van marktmechanismen holt andere prikkels uit. Wie mensen betaalt om bloeddonor te worden, genereert misschien meer zekerheid, maar zorgt ervoor dat ze dit uit altruïstische motieven niet meer doen. Wie mensen betaalt om af te vallen of hun medicijnen in te nemen, leert ze niet om hun motivatie in zichzelf te zoeken. ‘Gezondheids-omkoping’, aldus Sandel, ‘verleidt mensen het goede te doen om de verkeerde reden.’

Onbevangen moralistisch is Sandel wel vaker, zoals over het toepassen van het marktmechanisme bij het tegengaan van klimaatverandering. De handel in uitstootrechten is het ‘outsourcen van een verplichting’: „Het belichaamt een instrumentele houding jegens de natuur en het ondermijnt de spirit van gezamenlijke offers die waarschijnlijk nodig is voor iets als een mondiale milieu-ethiek.”

Voor het pragmatische argument dat geld tenminste werkt waar hooggestemdere aspiraties mislukken (armoede bestrijden, mensen langdurig motiveren, een beter klimaatverdrag dan het Kyoto-protocol), is Sandel niet gevoelig. Integendeel, wie steeds de weg van het marktmechanisme kiest, ambieert juist te weinig, met maatschappelijke verschraling tot gevolg. Morele deugden zijn voor Sandel als spieren die je moet trainen, en we zijn allemaal uit vorm geraakt.

Milieubeleid is vrijwel het enige grote vraagstuk dat Sandel aansnijdt. Hij heeft een curieuze voorkeur voor óf buitenissige cases, óf alledaagse breinbrekers voor in de kroeg. Zo serveert hij het grote dilemma van deze tijd – in hoeverre laten we samenlevingen degraderen tot economieën – in overzichtelijke brokjes. Directe politieke kwesties vermijdt hij: de greep van de financiële wereld op samenlevingen, de woorden bankier of Wall Street, ze komen in het boek niet voor.

Liever gaat hij in op de prijs van sportkaartjes: in 1965 kostte het duurste baseballkaartje het dubbele van het goedkoopste, nu betalen de lieden in de skybox van de New York Yankees tweeëntwintig keer zoveel als het voetvolk. Deze ‘skyboxificering’ ondermijnt de gezamenlijke ervaring in de arena – de democratie-metafoor is duidelijk zonder expliciet te zijn.

Zo, zonder duidelijke politieke conclusies, stuiten Sandels moraallessen niemand tegen de borst. Dat is knap. Op moralisme hebben we het immers niet meer zo begrepen, in elk geval niet als het onszelf betreft; morele verontwaardiging draait meestal om het gedrag van anderen. Maar het geeft ook de beperking aan van een boek als dit. What Money can’t Buy lijkt gebouwd op de vooronderstelling dat er zoiets als een universele moraal is, een verzwegen afspraak die door de hele samenleving wordt gedeeld. Maar skyboxificering en individualisering hebben er juist voor gezorgd dat dit niet langer het geval is.

Aan de andere kant is Sandel verfrissend als hij stelt dat we moralistischer moeten durven zijn. Morele verontwaardiging over hoge bonussen wordt bijvoorbeeld vaak weggezet als een emotionele reactie van mensen ‘die het niet begrijpen’. Maar dát die mensen het niet begrijpen, is nu juist een teken van hun gezonde morele intuïtie.

Geld degradeert, is Sandels stelling, doordat het andere, civielere, edeler motivaties verdringt. Een mooi voorbeeld is dat van de Amerikaanse crêche die ouders een boete oplegde als ze hun kinderen te laat kwamen halen. Vervolgens haalden méér ouders hun kinderen later, omdat ze er nu immers voor betaalden – ze waren niet langer gemotiveerd om beleefd te zijn en de werktijden van de crècheleidsters te respecteren (en dat ze hun kinderen uitputten kon ze kennelijk ook weinig schelen). Een boete niet langer als gênant zien, maar als een afkoopsom om je gang te kunnen gaan – het komt ook op grotere schaal voor, bij bedrijven die boetes voor milieuovertredingen van te voren incalculeren.

Sandels boek past goed bij andere werken die recent de fundamenten van het marktdenken aanvielen en een uitweg zochten uit ons ‘morele vacuüm’. De rationele keuze en de logische afweging van de homo economicus werden neergehaald in Animal Spirits (Akerlof & Shiller) en Thinking Fast and Slow van Daniel Kahnemann. Richard Sennett en Benjamin Barber verbonden de overvloed en keuzemogelijkheden van het turbokapitalisme met maatschappelijke verschraling. Filosofen (Sloterdijk, Todorov, De Botton) probeerden het kapitalisme moraal te geven.

Nu blijkt ook het neutrale karakter van de financiële prikkel een illusie – en kloppen al die sprookjes waarin de nobelen van ziel geld steevast versmaden dus toch.

Wel geeft Sandel met voorbeelden als over baseball blijk van valse nostalgie. Historische context ontbreekt in dit boek, en die toont dat ons verlangen naar moraal niet de vorm van terugzucht kan aannemen. De triomf van de markt kwam immers óók tot stand doordat stelsels die mede op morele idealen stoelden, zoals het communisme, ontaardden in tirannie. Steeds meer werden systemen van gedeelde morele deugd (de kerk, de zuil) als benauwd paternalistisch ervaren en als corrupt ontmaskerd, massaal keerden we ons er vanaf. Nog steeds gruwen de meeste mensen van groeperingen die anderen een stenen moraal op willen leggen, zoals de Tea Party of extremistische moslimgroeperingen. Ondertussen valt op de notie van het morele vacuüm wel een en ander af te dingen zolang vrijheid en rechtvaardigheid groter zijn in vrije markteconomieën, en de mate van corruptie kleiner.

Terug kunnen we dus niet. Maar wat voor moraal past dan bij moderne, hoog geïndividualiseerde samenlevingen die weer toe zijn aan andere waarden dan die van geld? Zijn maatschappelijke elites bereid daar offers voor te brengen? En hoeveel paternalisme verdragen we nog? In zijn boek schrijft Sandel daar niet over. Maar misschien heeft hij wel gelijk en is het zaak naar nieuwe morele richtsnoeren te zoeken. Met zijn allen. In zaaltjes.

Anderzijds: het dreigend financieel armageddon vraagt almaar grotere offers van democratische arena’s. Ondertussen geeft men in de skyboxen geen krimp, getuige bijvoorbeeld de mate van belastingontduiking en bonus- en dividenduitkeringen. Theoretische morele dilemma’s over hogere doelen – gelijkheid, rechtvaardigheid, eerlijkheid – gaan er op seminars dan in als koek. Zolang het maar wel bij theorie blijft, natuurlijk.