Alles draaide bij hem om roem

Bij zijn 300ste geboortedag wordt Frederik de Grote geëerd met nieuwe biografieën die afrekenen met mythes. Maar de Pruisische koning wordt niet volledig in genade aangenomen, schrijft Bart Funnekotter. Zo blijkt dat hij minder populair was dan wij dachten. En hij schreef Voltaire alleen maar omdat hij uit was op persoonlijke roem als filosoof.

Frederik II van Pruisen, geportretteerd omstreeks 1775

e geest liet zich maar niet breken. Talloze malen had koning Frederik Willem I van Pruisen zijn zoon Frederik geslagen, vernederd en uitgefoeterd. En toch bleef de jongen het gezag van zijn vader tarten. Hij las poëzie en filosofie, bespeelde de fluit – alles heimelijk, omdat Frederik Willem dit soort frivoliteiten haatte – en negeerde het werk dat hij van de koning moest doen. Daarbij spande hij samen met zijn moeder en oudste zus om de huwelijkspolitiek van zijn vader te saboteren.

In de zomer van 1730 bereikte het verzet van de achttienjarige prins een hoogtepunt. Murw gebeukt door zijn tirannieke vader trachtte hij Pruisen te ontvluchten. Hij werd gepakt voordat hij de grens over was en opgesloten in de vesting van Küstrin. Dit was het moment om zijn zoon een les te leren die hij nooit meer zou vergeten, besloot Frederik Willem. Hans Hermann von Katte, een vriend van de kroonprins die van zijn vluchtplannen op de hoogte was, moest boeten met zijn leven voor de balsturigheid van Pruisens kroonprins. De onthoofding vond plaats op een schavot dat vanuit Frederiks cel te zien was.

Het drama in Küstrin staat centraal in Sein Leben war das traurigste der Welt, waarin Uwe Oster de ongelukkige jeugd van Frederik de Grote, de naam waaronder Frederik II van Pruisen de geschiedenis zou ingaan, uitvoerig beschrijft en analyseert. Het boek van Oster is er een van velen die recent over Frederik zijn verschenen. De koning die ook krijgsman, componist, filosoof en dichter was, werd dit jaar driehonderd jaar geleden geboren. En kennelijk is nog steeds niet alles over hem geschreven.

Dat is bijna onvoorstelbaar, want de geschiedschrijving over Frederik kwam al tijdens zijn leven op gang. Sindsdien zijn er duizenden titels over hem gepubliceerd. Toch heeft Frederiks driehonderdste geboortedag een paar lezenswaardige boeken opgeleverd. Wie nog niets gelezen heeft over de veelzijdige vorst en eindelijk wel eens met hem wil kennismaken, kan uit de nieuwe oogst het beste Friedrich der Große van Tillmann Bendikowski kiezen. Bendikowski wijdt zijn eerste hoofdstukken aan een adequate, beknopte levensbeschrijving van Frederik. Interessanter is het tweede deel van het boek, waarin hij de Frederikreceptie van de afgelopen tweehonderdvijftig jaar beschouwt.

Toen ‘der Alte Fritz’ op 17 augustus 1786 overleed, was er geen sprake van groot verdriet in Pruisen. De koning was allang niet meer zo geliefd als in de jaren na zijn troonsbestijging. De Franse ambassadeur noteerde: ‘Ieder gezicht laat opluchting en hoop zien, geen geweeklaag, nog geen zucht, geen woord van lof. Dat is dus het resultaat van al zijn zeges en zijn roem, een heerschappij die bijna een halve eeuw duurde, gevuld met grootse daden. Iedereen verlangde naar het einde en begroette het, toen het daar was.’

Friedrich Schiller, die door een vriend was gevraagd een episch gedicht over Frederik te schrijven, zag daar na jaren twijfelen van af. ‘Ik kan dit personage niet voldoende liefhebben, hij enthousiasmeert me niet genoeg.’ De Duitse historici van het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw stonden ook afwijzend tegenover Frederik de Grote. Het was de tijd van een door de Franse Revolutie aangewakkerd Duits nationalisme, en de regeerperiode van Frederik werd als funest beschouwd voor de Duitse natie, omdat de koning uitsluitend het welzijn van Pruisen voor ogen had gehad.

Omstreeks het revolutiejaar 1848 kantelde het beeld van Frederik bij een deel van de Duitse intelligentsia. De liberalen zagen in hem een voorganger, een man die zelfstandig dacht en zich weigerde te laten opsluiten in tradities. Dit leidde ertoe dat de conservatieven, die jarenlang de nagedachtenis van Frederik hadden geëerd, afstand van hem namen. Voorop daarbij ging koning Frederik Willem IV van Pruisen. Hij weigerde zijn voorvader ‘de Grote’ te noemen, en toen hem in 1848 de Duitse keizerskroon werd aangeboden, wees hij die af met de woorden: ‘Als ik een Frederik II zou zijn, dan zou ik hem aannemen; maar dat is niet mijn karakter.’

Frederik Willem IV roeide met zijn afkeer van Frederik de Grote in tegen de stroom van de publieke opinie. De populariteit van Frederik nam in de tweede helft van de negentiende eeuw rap toe en bereikte zijn hoogtepunt in de jaren rondom de stichting van het Duitse keizerrijk in 1870. In tegenstelling tot de nationalisten van een kleine eeuw eerder, zagen de pleitbezorgers van dit rijk Frederik juist als een titaan van de Duitse zaak. En als een geniaal politicus en innemende vader van zijn volk bovendien.

Pas na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog begon de ‘mythe Frederik’, zoals Bendikowski die noemt, scheurtjes te vertonen. In het hoofdstuk ‘Burgeroorlog der herinneringen’ beschrijft hij hoe ten tijde van de Weimarrepubliek socialisten en communisten de erfenis van Frederik de Grote te lijf gingen. De nazi’s namen de verdediging van de Pruisische koning ter hand, en met succes. Adolf Hitler spiegelde zich maar wat graag aan Frederik de Grote en zou, toen hij eenmaal aan de macht was, vele propagandafilms over de koning laten maken. Het laatste boek dat hij las voor hij in 1945 in zijn Berlijnse bunker zelfmoord pleegde, was een biografie van Frederik de Grote.

De bruine lauwerkrans die Frederik tussen 1933 en 1945 op het hoofd was gedrukt, leek zijn reputatie permanent te hebben beschadigd. Maar sinds de val van de Muur ‘kan’ Pruisen weer, en is er ook weer plek voor een afgewogen Frederikbeeld. Zijn geboortedag is de afgelopen maanden met talloze festiviteiten en tentoonstellingen herdacht.

Dat wil niet zeggen dat Fritz weer volledig in genade is aangenomen. Er zijn nog steeds historici die het op hem hebben voorzien. Van alle boeken die de afgelopen maanden over Frederik zijn gepubliceerd, is Der Große van Jürgen Luh het prikkelendst. Luh werkt bij de Stiftung Preußische Schlösser und Gärten, de organisatie die de paleizen in Berlijn, Potsdam en omgeving beheert. Hoewel hij dagelijks in de nabijheid van Frederiks architectonisch erfgoed verkeert, heeft Luh weinig goeds over hem te melden. Integendeel, hij valt in Der Große zijn hoofdpersoon hard aan. En niet met een floret, maar met een slopersbal.

Der Große is geen traditionele biografie, waarin de chronologie het verhaal bepaalt. Luh bekijkt het leven van Frederik II aan de hand van vier thema’s: roemzucht, koppigheid, eigenzinnigheid en inzicht. Dat zijn geen neutrale invalshoeken, en daar heeft de auteur ze ook op geselecteerd.

Het hoofdstuk over roemzucht is het langst, omdat in het leven van Frederik, aldus Luh, alles draaide om het vergaren van roem. Corresponderen met Voltaire? Dat deed hij niet omdat hij echt van filosofie hield, maar om een naam als denker te verwerven. Oorlog voeren? Dat deed hij niet omdat het goed was voor Pruisen, maar omdat hij de krijgsdaden van zijn helden Alexander en Caesar wilde evenaren. En die vlucht van 1730? Ach, de jonge prins wilde helemaal niet écht weg, schrijft Luh. Hij wilde gewoon aan Europa laten zien dat de Pruisische troonopvolger van wanten wist. Vriend Katte werd aldus geofferd op het altaar van Frederiks dorst naar roem.

Het boek van Luh is geen prettige lectuur. Je vraagt je af of een biograaf die zó de pest aan zijn onderwerp heeft, wel over hem moet willen schrijven? Pagina na pagina gaat het door – enkel zwart, geen grijs, laat staan wit. Daarmee schiet Der Große uiteindelijk zijn doel voorbij. Want hoewel Luh interessante vragen stelt over wie Frederik II nu écht was, wil je het op een gegeven moment gewoon allemaal niet meer weten. Blijf met je rotpoten van mijn rot-Frederik af, Luh!

Tillman Bendikowski: Friedrich der Große. C. Bertelsmann Verlag, 336 blz. € 21,- Jürgen Luh: Der Große: Friedrich II von Preußen. Siedler Verlag, 288 blz. € 21,- Uwe Oster: Sein Leben war das traurigste der Welt: Friedrich II und der Kampf mit seinem Vater. Piper, 288 blz. € 21,-