Wij en zij

Na afloop van de wedstrijd tegen Duitsland liep ik teleurgesteld naar het raam. Krakau by night. Ik had goed zicht op het hotel van het Nederlands elftal. Er brandden lampen in een paar kamers. Zouden onze jongens vergeten zijn het licht uit te doen toen ze een dag eerder naar Charkov vertrokken?

Onze jongens.

We beschouwen ze als onze jongens. We denken ze te kennen. Van een kort interview, van een grap in een reclame. Voetballers als poppetjes. Je kunt onze jongens sparen, je kunt ze – mits voorzien van een magneet – op een bord naar hun plek schuiven.

Op ware grootte zien we ze in een flits met grote koptelefoons langs de camera schuiven, als astronauten op weg naar een raket die ze buiten de dampkring schiet. Dat is de plek waar ze het liefst verblijven, in een capsule, afgesloten van de buitenwereld.

In een van die hotelkamers verderop hing Robin van Persie al dagenlang in zijn eentje rond. Voorafgaand aan het duel met Duitsland zag hij zijn vrouw op de tribune zitten. Hij liep naar de rand van het veld, boog over het hek en opende zijn armen. Mevrouw Van Persie keek gelukzalig tijdens de omhelzing.

Robin lachte, zoende en sprak.

„Dit is goed”, zei analyticus Jan van Halst, vanuit zijn televisiehok in het stadion. Kijk. Het poppetje had gevoel in zijn donder. Dat waren we bijna vergeten, na de zelfverkozen radiostilte van de spits.

Het Nederlands elftal begon behoedzaam en zonder agressie in het spel. Iedereen stond weer op de toegewezen plek, in zijn – sorry, ik zal het woord maar één keer gebruiken – zone. Ik dacht terug aan schooltuintjes. Wieden tot aan de randjes. Het onkruid op de paden, dat moest je buurman maar opruimen.

Voetbalminnend Nederland had de afgelopen dagen in de wij-vorm gesproken. Wij konden de Duitsers pakken. Wij speelden het beste voetbal. Wij hadden spelers van wereldklasse. Ja, wij konden Europees kampioen worden. Dat hadden onze jongens ons de afgelopen weken steeds ingepeperd.

Wij, wij, wij.

Na een halfuur was het zover. Mario Gomez ging precies tussen de tuintjes van Mathijsen en Heitinga staan. Ideaal niemandsland waar het prettig toeven was. Alle tijd om het haar nog eens naar achteren te strijken en de benen los te gooien.

Na de goal werd Van Marwijk in beeld gebracht. Aan zijn schichtige ogen was te merken dat hij zichzelf terugzag op het grote scherm. Hij voelde zich bekeken, schuldig wellicht. Een marionettenspeler die in paniek aan de touwtjes trok. Hier en daar ging nog een been omhoog, maar altijd op het verkeerde moment.

Waren wij dit? Wij? Moesten wij ons vereenzelvigen met dat onsamenhangende, naar elkaar scheldende clubje jongens in het veld? Na twee verloren wedstrijden was er een gapend gat ontstaan tussen volk en elftal. Het was ‘wij’ tegen ‘zij’.

Vanachter het raam keek ik nog eens naar de slaapkamers van het Nederlands elftal. Over een paar uur zouden ze terugkeren vanuit Charkov. Geen heldenontvangst. Geen Oranjegekte. Alleen Poolse portiers die vriendelijk de deur openhielden.

Onze jongens, weer thuis in koel Krakau. Terug in hun kamers. Vol schaamte, vol woede. Gordijnen dicht. Staren in de spiegel bij het tandenpoetsen. Uitkleden. Mobiel stand-by op het nachtkastje. Liggen in de bed. Staren naar het plafond.

Nul punten.

Zij hebben niets.

Wij hebben niets.

    • Wilfried de Jong