Toch positief

De lichten doofden gisteravond snel in de huizen om mij heen. Op straat heerste doodse stilte. De cafés liepen leeg. Het feest was voorbij voordat het begonnen was. Nederland ging naar bed, doodop.

Ik doe nu als schrijver van dit stukje iets ongebruikelijks: ik kijk even achterom naar deze openingsalinea. De beschrijving klopt, maar de toonzetting is me achteraf toch iets te somber. Er zijn verdomme toch geen dooien gevallen? Waarom niet wat positiever begonnen? Ik waag een poging.

Voorlopig, misschien zelfs wel voor een lange periode, zijn we bevrijd van de Oranje-hysterie. In geen land ter wereld werd zoveel aandacht besteed aan de verrichtingen van het nationale voetbalelftal als in Nederland. Op twee tv-zenders zaten volwassen mannen ’s avonds urenlang te ouwehoeren over wie er nu wel of niet ‘in de spits’ moest staan; de voor- en nabeschouwingen duurden langer dan de wedstrijd zelf. De cafés puilden uit van in afstotelijke oranje kleding gehulde bezoekers, de straten ging schuil onder oranje vaantjes en ballonnen, bij Albert Heijn kreeg de klant ongevraagd een oranje ‘voorspelsjaal’ toegestopt die hij voor zijn borst kon openvouwen om de stand van de wedstrijd te tonen.

Nederland was gek geworden.

Dat is voorbij, zelfs als het elftal met de hakken over de Portugese sloot komt. Iedereen heeft de afgelopen dagen kunnen zien dat we een beperkt elftal hebben waar we niet te veel van kunnen verwachten. Ik hoorde in de rust van Nederland-Duitsland de BBC-commentator Alan Shearer met verbazing uitroepen: „Dat starre blok op het middenveld, De Jong-Van Bommel, ...aanvallen kunnen ze niet, maar verdedigen ook niet!”

Zijn constatering zou je op het héle elftal kunnen toepassen.

Een positieve ontwikkeling was ook dat sommige stuurlui aan de wal nu eens wel gelijk kregen. Ze worden door de ‘professionals’, zoals bondscoach Van Marwijk en zijn spelers, altijd als ‘luie opportunisten’ weggezet, maar als er beter naar hen geluisterd was, was men in ieder geval met bescheidener verwachtingen aan het toernooi begonnen. Met name Marco van Basten en Ruud Gullit wezen eerder onbarmhartig op de tekortkomingen.

Ik herinner me ook een commentaartje vooraf van Berti Vogts, oud-bondscoach van Duitsland. „De Nederlandse verdedigers zijn te langzaam. Als Duitsland een hoog tempo hanteert, zullen we geen problemen hebben om Nederland te verslaan.”

Dezer dagen moet ik vaak denken aan Rinus Michels. Hij was een (bonds)coach die van zijn spelers veel discipline en toewijding eiste. Toen hij succes kreeg als coach bij Ajax heeft hij er vaak op gehamerd dat de spelers maar voor één zaak moesten leven: hun sport. Alle nevenactiviteiten, zoals in de reclame en de media, leidden te veel af. Spelers die zich daaraan te buiten gingen, raakten volgens Michels snel op hun retour.

De Nederlandse spelers doken de laatste tijd voortdurend op in commercials, Rafael van der Vaart maakte een eigen magazine en bewoog zich met zijn vrouw maar al te graag in de beau monde – evenals Wesley Sneijder met eega. Gisteravond twijfelden veel commentatoren aan de fysieke gesteldheid van de Nederlanders. „Van der Vaart kan helemaal niet lopen”, zei Youri Mulder. Ook Sneijder kwam nauwelijks in het stuk voor. Ze werden onder de voet gelopen door de veel fittere Duitsers.

Zo kreeg Nederland een pijnlijk lesje in nederigheid. Dat kan nooit kwaad, voor geen enkel volk.