Nederland heeft weinig te kiezen

Nieuwsanalyse

De economische crisis in Nederland is zo diep dat de mogelijkheden om er iets aan te doen uitgeput dreigen te raken. Eigenlijk kan alleen de export de economie nog laten groeien.

De marges voor het Nederlandse financieel-economische beleid zijn smal geworden. Heel smal. Vijf jaar geleden brak de kredietcrisis uit, inmiddels is die geëscaleerd tot een pan-Europese schuldencrisis. Dit jaar krimpt de economie. Volgend jaar verwachten De Nederlandsche Bank (DNB) en het Centraal Planbureau (CPB) bescheiden herstel. De jaren daarna zit er niet veel meer in. De werkloosheid zal verder stijgen.

Het is „geen gemakkelijke opgave” om de Nederlandse economische groei op korte termijn naar een hoger niveau te tillen, zei DNB afgelopen week met haar gebruikelijk gevoel voor understatement. Vanmiddag publiceerde het CPB nieuwe prognoses, inclusief een doorrekening van het Lenteakkoord.

De economie kent traditioneel drie binnenlandse aanjagers: de consument, het bedrijfsleven en de overheid. Maar zij liggen stil. Sterker nog: consumptie en overheid dragen nu zelfs bij aan een krimp van de economie.

Toch richten politieke partijen zijn met belasting-, subsidie- en uitgavenbeleid juist op de binnenlandse bestedingen. Partijen lopen nu al aan tegen de smalle marges van de economische politiek. Wie, zoals de SP, de economie wil stimuleren met extra overheidsuitgaven, botst met de doelstelling van schuldreductie. Dan dreigt een hogere rente op de staatsschuld. Wie extra lastenverlichting belooft, zoals de VVD, loopt zonder compensatie een vergelijkbaar risico.

Politieke partijen kunnen kiezen. De lasten anders verdelen, bijvoorbeeld, met inkomsafhankelijke zorgpremies. Of sociale hervormingen doorvoeren, zoals het inperken van de ontslagbescherming, de werkweek verlengen of de AOW-leeftijd verhogen. Maar levert dat wat op? De keuzes zijn bij uitstek politiek, de invloed daarvan op economische krimp en groei is gering, laat DNB fijntjes zien.

De boosdoener van deze economische stagnatie zijn wijzelf. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw is Nederlands meer en meer een renteniersland geworden. Vermogens (huizen, pensioenen, spaargelden) en schulden (hypotheekleningen, staatstekorten) spelen de hoofdrol in de Nederlandse economie. Jarenlang zat het mee. Stijgende huizenprijzen, stijgende aandelenkoersen, uitpuilende pensioenkassen en dalende premies. En hup: groeiende winsten, inkomens en consumptie. De aanlokkelijke verwachting van verdere stijgingen dwong bijna tot hogere schulden, zeker omdat de hypotheekrente fiscaal aftrekbaar was.

De kredietcrisis heeft een eind gemaakt aan het gratis geld en de winst- en vermogensversnellers. De huizenprijzen bereikten in augustus 2008 een piek, maar zijn sindsdien al 12,5 procent procent gedaald. En dan staan er nog meer dan 250.000 huizen te koop. Het consumentenvertrouwen is ingestort.

Minder nieuwe schulden maken en meer schulden aflossen is de boodschap van banken en beleidsmakers. Gevolg: minder overheidsuitgaven, minder consumptie, minder groei. Per saldo leveren investeringen van ondernemingen een positieve bijdrage aan de economische groei. Maar investeringen zijn, met een bijdrage van 9 procent, de kleinste van de vier reguliere aanjagers van economie. De rest van de groei komt van consumptie (33 procent), export (30 procent) en overheidsbestedingen (28 procent).

De overheidsuitgaven nemen af, net als de consumptie, ook al trekt de consument zich vooralsnog weinig aan van zijn dalende koopkracht. Het gevoel dat de Nederlandse consument „de hand op de knip houdt”, klopt namelijk niet. Consumenten sparen weliswaar meer: in de eerste vier maanden van 2012 hebben consumenten bijna 5 miljard euro extra apart gezet (totaal: 315 miljard). Maar hij geeft juist meer uit dan hij aan inkomen (loon, uitkeringen) ontvangt. In 2013 verwacht DNB zelfs een record: er zal ruim 7 miljard meer uitgegeven worden dan er aan inkomen binnenkomt. Met dank aan de vermogens.

Zonder de drie binnenlandse stimulansen is Nederland aangewezen op de vierde aanjager: de export. Dat betekent: hopen op groei in andere lamgeslagen eurolanden, vertrouwen op herstel van de wereldhandel. Maar dat zijn nou uitgerekend omstandigheden waarop Nederlandse politici geen invloed hebben.