Kunsthand werkt slecht en dat wordt niet beter

Mechanische kunsthanden zijn onhandig. Al jaren. De markt ervoor is zo klein dat er weinig innovatie plaatsvindt. Het geld vloeit vooral naar elektronische prothesen.

Hester van Santen

Veel kunsthanden zijn ondingen. Het staat niet letterlijk in het wetenschappelijk artikel dat onderzoekers uit Delft en Groningen deze week publiceerden, maar het is niet moeilijk die conclusie te trekken. Ze schrijven zelf: verbetering van deze prothesen „is niet alleen wenselijk, het is noodzakelijk”. Ze hebben het over mechanische handprotheses, zonder elektronica, die om praktische redenen ook in Nederland veel in gebruik zijn.

Kun je er iets mee pakken? Nee. De knijpkracht is te klein om alle dagelijkse taken uit te voeren. Zijn ze gemakkelijk te bedienen? Nee, dat vergt zoveel kracht dat mensen er blessures van oplopen. Zijn ze licht? Nee, ze zijn te zwaar. En worden ze beter? Nee, de prestaties zijn niet verbeterd ten opzichte van een test uit 1987. „En dat is jammer” zegt promovendus Gerwin Smit van het Delfts Instituut voor Prothesen en Orthesen. Hij en zijn collega’s willen binnen een jaar een simpele, niet-elektronische handprothese ontwikkelen die beter voldoet. Ter voorbereiding testte de groep negen bestaande handen en haken. De resultaten staan in Journal of Rehabilitation Research and Development.

Het aantal mensen dat een handprothese nodig heeft, is in Nederland gering: er komen slechts zo’n 70 mensen per jaar bij. Wereldwijd zijn er meer, zeker in oorlogsgebieden en onder veteranen.

Het onderzoek van Smit gaat over zogenaamde ‘lichaamsbekrachtigde’ protheses, die door één op de drie dragers van een handprothese gebruikt wordt. Aan de prothese (een hand of haak) zit een koord dat eindigt in een bandage om de tegenoverliggende schouder, zoals bij een rugzak. Beweegt de drager met die schouder, dan gaat de hand open of dicht . Het alternatief is een ‘cosmetische prothese’ (een inerte kunsthand) of een elektronische.

„Bedrijven investeren al hun geld in elektronische prothesen”, zegt Smit. „Ze streven de bionic dream na.” Zo’n ‘myoelektrische’ prothese wordt (zonder operatie) aangesloten op twee onderarmspieren en kan zo bewegen: het principe werd ontwikkeld tijdens de Vietnamoorlog. De nieuwste modellen, zoals de iLimb (prijs 25.000 euro), hebben meer bewegingsmogelijkheden en preciezere grip. Maar ook die hebben nadelen, aldus Smit. Dat beaamt Erwin Leenheer, bestuurslid van de Landelijke Vereniging van Geamputeerden en drager van een handprothese. „Je moet ze opladen en ze mogen niet onder de kraan.” Dat is lastig bij handen wassen, koken of vissen, zegt Leenheer. „En ze kunnen kapot gaan. In de auto heb ik altijd een mechanische reserveprothese bij me.” Smit voegt toe dat myoelektrische protheses zwaar zijn en traag. „En het belangrijkste nadeel is dat je niet voelt wat je in je handen hebt.” Bij een mechanische prothese voelt de drager de knijpkracht via de bandage.

Potentieel heeft zo’n simpel ontwerp dus voordelen, maar die worden niet uitgebuit, vindt Smit. En Leenheer is het daarmee eens. „De markt is zo klein dat er bijna geen ontwikkeling plaatsvindt.” De hand op de foto stamt uit 1945 en is nu nog, vrijwel onveranderd, op de markt. Deze en andere handvormige mechanische protheses die de Delftse en Groningse universiteiten testten, waren allemaal te zwaar: 400 à 450 gram. Ze knepen met een kracht van maximaal 18 newton, terwijl 28 newton nodig is om een theekopje vast te houden. En de activeringskracht, uitgeoefend via de schouder, was groot. Smit: „Mensen krijgen soms een zenuwbeschadiging aan hun gezonde arm van het dragen.”

Een ‘haak’ – twee haken die samen een knijper vormen – werkt wél goed, vond Smit. Maar niet iedereen wil daarmee rondlopen. Erwin Leenheer, die er zelf een draagt: „Je bent een publieke attractie met een haak. Veel gebruikers gaan met een kunsthand naar hun werk, en doen hun haak pas aan als ze binnen zijn.”

Smit verwacht dat het niet moeilijk is om een mechanische hand te ontwikkelen die lichter te bedienen is, door wrijvingsverlies te verminderen. „Over een jaar willen we zo ver zijn, dat we ze als test aan gebruikers mee kunnen geven.”