Heldere 'Parsifal' mijdt bedwelming

De Nederlandse Opera besluit het seizoen met een lang geanticipeerde productie van Wagners Parsifal. Orkestraal én theatraal is het een zeer esthetische productie. Bedwelming en warmbloedig drama blijven goeddeels uit.

Christopher Ventris (Parsifal), Koor van De Nederlandse Opera

Als recensent wens je soms vurig in stevig zwart-wit te kunnen oordelen. Zeker over deze nieuwe Parsifal, grootse slotproductie van het operaseizoen. Omdat het Concertgebouworkest zo zelden opera speelt. Omdat het het Nederlands operadebuut is van Iván Fischer, de Wagner-fan die nooit eerder een Wagner-opera dirigeerde. En om regisseur Pierre Audi die samenwerkt met kunstenaar Anish Kapoor – wiens beelden naadloos aansluiten op de symboliek van Parsifal.

Maar helaas. Deze nieuwe Amsterdamse Parsifal, de eerste na de historische enscenering van Klaus Michael Grüber uit 1987, is er een die én diepe ontroering én teleurstelling oproept, zeker niet een die aanzet tot overdonderde Bejahung.

Een symbolisch labyrint – zo kun je Wagners vier uur durende mysteriespel over Parsifal, de Reine Dwaas die door medelijden tot inzicht komt, gerust noemen. Parsifal is verzadigd van christendom, boeddhisme en Schopenhauer. Daar kun je als regisseur je voordeel mee doen. Recente Parsifals gingen uit van een gekkengesticht als symbool van de Riddergemeenschap-in-verval (Reisopera, 1997) of toonden een als kerstgebraad dichtgebonden vrouwengeslacht waar Parsifal de verleidingen van Kundry weerstaat en zijn Verlosserstaak aanvaardt (De Munt, 2011).

Het pleit voor Audi dat hij dergelijke discutabele duiding goeddeels mijdt. Zijn Parsifal is meer een liefdevolle bouwtekening: analytisch abstract, tijdloos mythisch en herkenbaar in één lijn met eerder werk; zijn Monteverdi-cyclus, Wagners Ring, St. François d’Assise van Messiaen.

De Graalridders zijn in de eerste akte voorwereldlijke monniken die ronddwalen in bloedrood oerlicht en timmeren aan hun nog nieuwe symbolen. Geweldig is het aandeel van Falk Struckmann als ‘verteller’ Gurnemanz: een stem vol reliëf. Dat miste je bij Alejandro Marco-Buhrmester als de lijdende Koning Amfortas, hier een pré-Christus, inclusief bloedige lendenlap en gespreide armen.

In de derde akte keren de Ridders terug als falanx (eresaluutje aan Grüber) van hedendaagse lijdenden: maatpakken, gezichten beschilderd met kruizen. De spiegel uit de tweede akte (foto) heeft daar plaatsgemaakt voor een zwart gat, een zonsverduistering die al voorspelt dat Audi het voor deze gemeenschap niet zonnig inziet. En inderdaad, als Parsifal de Graal onthult, sterven allen – een grimmige duiding van de Hoogste Verlossing. Daar kun je je aan storen (Wagner was ook pessimist maar tenminste rebels-opbouwend) en zeker is deze derde akte theatraal de zwakste. Maar daar staat tegenover dat de personenregie ook hier hyperverzorgd en veelzeggend is.

Memorabele hoogtepunten biedt deze Parsifal voldoende. De koorscène (akte 1) op steigers tegen een reuzenrots is imponerend monumentaal en de tweede akte, met Kundry en Parsifal voor een reuzenspiegel van Kapoor die kleuren én klanken weerkaatst en vervormt, is pure, diep sensuele theaterpoëzie. Audi en Kapoor weten de zinnen hier zozeer te bedwelmen dat je je eigen gedachten en verlangens daar, even, moet wantrouwen. Een onvergetelijke scène.

In de bak levert het Concertgebouworkest onder Fischer ‘streng’ contrapunt bij Audi’s beelden. Fischer stelt helderheid voorop. Vooral in de snelle eerste akte zijn alle rubati en Seufzers secuur afgeroomd. Dat leidt tot een dieetachtige sensatie van gemis, hoe prachtig de lage strijkers ook zoemen. Gelukkig kantelt die aanpak in de tweede akte, waar Fischer het vuur tussen Petra Lang (een intense Kundry) en Christopher Ventris als stevige Parsifal opstookt met warmbloediger spel. Het orkest speelt prachtig en realiseert vele momenten van kamermuzikale schoonheid (wat uitglijdertjes daargelaten). De keuze voor het gebruik van Javaanse gongs is zelfs ronduit briljant; zinderend van gewijde klankintensiteit.

Maar de vurige sensatie die Jaap van Zweden teweegbracht in zijn concertante Parsifal (de cd daarvan krijgt morgen een Edison) – die mis je. Ook de laatste Parsifal in Het Muziektheater onder Simon Rattle (1997) bezat meer dramatische impact. Fischer is, in zijn eigen woorden, misschien te veel een zoeker om toe te laten dat Wagner de zinnen bedwelmt. Hij zoekt het genius in details, in de voortgang van de vertelling, in dramaturgie. Maar al doende rijdt de roes aan hem voorbij.

Parsifal van R. Wagner door De Ned. Opera/Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Iván Fischer. Regie: Pierre Audi. Decors: Anish Kapoor. Gezien: 12/6 Muziektheater Amsterdam. Aldaar t/m 8/7. Er zijn nog kaarten. Inl: www.dno.nl ****

    • Mischa Spel