Gezag technocraat brokkelt snel af

In Berlijn krijgt de Italiaanse premier Monti royale steun. Maar in eigen land daalt zijn populariteit. Hervormingen verliezen vaart, partijen morren. En de rente stijgt.

Italian Prime Minister Mario monti speaks during a press conference with his polish counterpart after an Italy-Poland summit on May 29, 2012 at Villa Madama in Rome. AFP PHOTO / ANDREAS SOLARO AFP

Mario Monti, zei de Duitse minister van Financiën Wolfgang Schäuble gisteren, is „de juiste man op het juiste moment”. Het zal de Italiaanse premier als muziek in de horen hebben geklonken. Hij was even in Berlijn om een prijs in ontvangst te nemen voor „bezielend leiderschap”. Maar de problemen stapelen zich op voor hem.

Duidelijk is dat de wittebroodsweken voorbij zijn, op alle fronten. Eind november volgde de technocraat Monti Silvio Berlusconi op als premier, nadat de financiële markten duidelijk hadden gemaakt wat andere Europese leiders met een blik van verstandhouding lieten zien: Berlusconi was niet meer geloofwaardig als de man die Italië uit de gevarenzone moest halen.

Monti begon voortvarend: bezuinigingen, aanpak van de belastingontduiking, en een hele reeks hervormingsplannen voor het stroperige economische bestel. Maar inmiddels is het vertrouwen onder de kiezers gedaald: van een ongekende hoge zeventig procent vlak na zijn aantreden tot tussen de dertig en veertig procent nu.

Nog steeds respectabel, maar deze cijfers laten zien dat de vaart uit het hervormingsprogramma is. Het plan voor flexibilisering van het ontslagrecht stuit op grote weerstand. De pensioenhervorming hapert. De poging de Italiaanse economie concurrerender te maken door veel monopolies aan te pakken, heeft elementen verloren. De bezuinigingen die al wel zijn doorgevoerd, beginnen pijn te doen. En de economie krimpt: in het eerste kwartaal met 0,8 procent, wat neerkomt op 1,4 procent op jaarbasis.

Daarom is de argwaan op de financiële markten over Italië, die na het aantreden van Monti sterk was verminderd, opnieuw gegroeid. De onrust rondom het reddingspakket voor de Spaanse banken vergroot de onzekerheid. Monti haalde dinsdag woedend uit naar een Oostenrijkse minister die had gezegd dat Italië mogelijk ook gered moet worden. Gistermorgen onderstreepte hij in het parlement dat het land er beter voor staat dan Spanje. De Italiaanse banken „hebben geen onroerend goed-speculatie gefinancierd”. Het begrotingstekort bedraagt 3,6 procent en moet in 2013 dalen naar 1,7 procent. Maar de totale staatsschuld blijft met 1.900 miljard euro, bijna 120 procent van het bruto binnenlands product, zo hoog dat de vraag is of Italië voldoende groeit om de rente hierop te kunnen blijven betalen. De financiële markten beginnen hier weer aan te twijfelen. Daarom moest Italië deze week een hogere rente betalen voor zijn leningen.

Schäuble zei gisteren indirect dat het probleem niet zozeer Monti is, maar de politiek. „Ik kan alleen maar hopen dat de politieke krachten in het Italiaanse parlement en de publieke opinie hem blijven steunen, want de weg naar een terugkeer van duurzame groei via structurele hervormingen, een betere concurrentiepositie en een lager tekort is de juiste.”

Maar binnen de grote politieke partijen op rechts en links die hem hem aanvankelijk hadden gesteund, ook bij gebrek aan een eigen geloofwaardig alternatief, rommelt het. De meeste politici laten zich leiden door de verkiezingen die voor volgend voorjaar gepland staan. Bezuinigen en hervormen doet pijn, erkende Monti gisteren. „Maar het zou moeilijker te aanvaarden zijn, en het gevoel van vervreemding en frustratie zou groter zijn, als deze maatregelen van buitenaf worden opgelegd.”