De Bovenbazen (30)

‘Rijd onopvallend achter hem aan. Ik wil weten wat hij van plan is. Waarom wil hij op reis, Steenbreek?’

‘Ik weet het niet, meneer,’ zei de ander. ‘Wilt u dat ik een informatie trek?’

‘Je trekt niets!’ riep de oliekoning uit. ‘Waarom denk je dat ik hem mijn privévliegtuig leen? Hè? Omdat ik hem zo aardig vind, soms?’

‘Ik weet het niet, meneer,’ mompelde de secretaris.

‘Jij weet niets!’ zei aws korzelig.

‘Ik leen hem mijn vliegtuig om te weten wat hij doet. Ga vragen waarheen hij vertrokken is. En noem me geen meneer.’

Steenbreek gehoorzaamde, maar zijn scherpe ondervraging leverde weinig nieuws op.

‘Men weet het niet, aws,’ sprak hij toen hij bij zijn werkgever terugkeerde. ‘obb is afgereisd naar het zuiden. Hij zoekt een onbesmet gebied, zei men mij.’

‘Zo,’ gromde de heer Steinhacker. ‘Wat zit daar achter? Rijden, Steenbreek.’

‘Jawel, meneer,’ zei de secretaris. ‘Naar huis?’

‘Niks naar huis!’ riep de ander. ‘Bij zijn terugkomst wil ik een appeltje met obb schillen. Breng me naar de Aerodroom-bungalow. En dat gemeneer van je begint me erg te vervelen. Ik ben geen minvermogende, meneer!’

    • Marten Toonder