'Als het boek vordert, geef ik niks meer om het huishouden' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? Aflevering twaalf: schrijver Manon Uphoff (1962).

Nederland;Utrecht, Manon Uphoff, Foto: Mark Kohn

‘Eigenlijk heb ik pas een paar jaar, sinds we in dit huis wonen, een echt bureau. En een werkkamer. Daarvóór vond ik een plank op de slaapkamer, met een kast opzij zodat het nog op iets van een werkhoekje leek, al enorme luxe. Het zal ermee te maken hebben dat ik uit zo’n enorm gezin kom; je deelde ruimtes altijd met anderen. Nu dus voor het eerst een eigen werkplek. Ik zit er alleen nooit.

Ik schrijf op de bank, minilaptop op de leuning, maar meestal op bed. Een paar kussens in mijn rug en met de laptop op een kussen of dienblad. Na een tijd krijg je natuurlijk pijn of kramp, maar ik hou het toch vele uren achter elkaar vol. Ik vind het prettig om op bed te schrijven; alsof ik de tijd steel. Daar word ik het minst gestoord. Geen huisgenoten, ik zie geen dingen die moeten. Het schilderij achter mijn bed, een portret dat mijn vader ooit van me schilderde, heb ik bewust zo neergezet dat ik het niet zie. Het is me dierbaar, maar het zou me ook te veel afleiden. Verder liggen hier alleen boeken die me inspireren; vaak rond een bepaald thema waar ik op dat moment over schrijf. En de allergrootsten. Ik leg ze om me heen op bed en kijk er soms even in. Bij Gogol hoef je maar een bladzijde open te slaan en je weet weer wat schrijven is.

Ik sta elke dag om kwart voor zeven op, drink met mijn man eerst enorme sloten oploskoffie en als hij naar zijn werk gaat begin ik met schrijven. Meestal nog voor achten. Ik schrijf minimaal een paar uur achter elkaar; meestal tot een uur of twee, drie. Dan is het echt afgelopen, komen er geen frisse gedachtes meer. Een paar dagen per week zijn echte schrijfdagen: dan doe ik niets anders, ook ’s avonds niet. En omgekeerd: als ik weet dat ik ’s avonds wel een afspraak heb, schrijf ik die ochtend niet. Althans, niet aan een roman of verhaal; hooguit een column. De wetenschap dat ik die avond mensen ontmoet geeft bij mij zo veel onrust dat ik dan niet goed kan schrijven. Het voelt als verraad naar mijn personages. Ik zit helemaal met ze in een bepaalde sfeer of emotie; melancholiek, pijnlijk, spannend – en dan moet ik ergens naartoe waar ik niets kan met waar ik al schrijvend op uit ben gekomen. Ik ervaar dat als een aantasting van de intimiteit van het schrijven.

Het schrijven ervaar ik als moeizaam. Want je kunt wel een vaag idee hebben, bijvoorbeeld: ik wil iets doen met een ongelukkige vrachtwagenchauffeur die nu een busje rondrijdt met gehandicapte kinderen; maar dan komen alle vragen. Waaróm is die man ongelukkig, waarom interesseert zíjn ongeluk me meer dan dat van een ander, waarom wil ik dit vertellen? Ik ben van tevoren veel aan het uitzoeken en opschrijven. Van alle personages wil ik ook weten hoe ze er precies uitzien. Maar ook alles eromheen, de verbanden die er zijn. Het is trouwens wel heel plezierig om dat allemaal uit te zoeken.

Ik weet niet altijd hoe het afloopt van tevoren. Of ik weet wel de afloop, maar niet het begin. Er zijn veel open plekken. Die vullen zich tijdens het schrijven. Een terugkerend thema in mijn werk is mensen die graag alles onder controle willen hebben en dan uit hun baan geslingerd worden. En ik ga aan ze trekken, probeer ze te buigen. Je zou het een gevecht, maar ook een dans kunnen noemen. Een dans met de personages. Al schrijvend ontdek ik. Het voelt alsof je jezelf verruimt: dingen die normaal gesproken bij mij horen zakken weg, en er komt een scala aan andere, nieuwe dingen voor terug.

Maar het is niet zo dat ik dit elke dag joelend doe. Er zijn ontsnappingsrituelen: dan móét ineens die keuken helemaal opgeruimd, móét dat aanrecht schoon. Naarmate ik verder in het boek zit houdt dat op. Dan kan het huishouden me juist niks meer schelen. Ik ga vanaf dat moment ook een krantloze periode in. Goede kranten staan vol met interessante stukken, met redelijke, gefundeerde meningen. Dat leidt mij af. Wel kijk ik dan veel films; omdat de filmtaal van schrijftaal verschilt vind ik dat juist verfrissend.

Meestal kun je aan mijn omgeving wel zien hoe ver ik ben. Het wordt steeds viezer, ik lunch steeds nonchalanter in bed. Ik zie het niet, en het interesseert me ook niet. Naast mijn bed kan weken een klokhuis liggen, dat ik normaal gesproken netjes weg zou gooien. Maar als ik er helemaal in zit en het einde nadert laat ik alles liggen. Overigens is het voor mij altijd een teken dat ik er écht bijna ben als ik ineens weer de behoefte voel om op te ruimen en schoon te maken. Het boek is nog niet helemaal af, maar ik weet dat ik dan tegen het einde zit. Er moet nog wat slijpwerk gebeuren, maar het creatieve, het artistieke proces is voorbij. En dan komt er langzaam weer ruimte voor andere dingen. Mensen, de krant, en ja, ook het huishouden. Gelukkig wel. Want echt, er zijn momenten dat ik geen mens mijn kamer zou durven binnenlaten.”