Rekenen leer je door te rekenen

Leerlingen van vmbo en havo scoren slecht op een rekentoets die vanaf 2014 deel is van het eindexamen. Volgens critici gaat het mis op de basisschool.

„Nog niet bevredigend.” Zo noemde minister Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) de resultaten van een rekentoets die dit voorjaar werd gehouden onder scholieren in het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.

Dat lijkt een eufemisme. Van de havo-leerlingen haalde 72 procent een onvoldoende voor de toets, die vanaf het schooljaar 2013/2014 deel uitmaakt van het eindexamen. Op het vwo was dit 32 procent. Op het laagste vmbo-niveau scoorde 84 procent een onvoldoende. Op het hoogste vmbo-niveau, dat van de oude mavo, was het 28 procent.

Van Bijsterveldt hoopt dat leerlingen beter hun best doen als de test straks deel uitmaakt van het examen. Dit voorjaar ging het nog om een proef. Kenners zijn er niet gerust op. Zij zeggen dat er met het rekenonderwijs in Nederland structureel iets mis is.

Hoogleraar wiskunde Jan van de Craats zegt niet verbaasd te zijn over de „dramatische uitkomsten” van het proefexamen. „Ik roep al jaren dat het Nederlandse rekenonderwijs niet op peil is.” Zijn stelling: rekenen leer je op de basisschool. „En daar gaat het mis. Met dank aan de propagandisten van het realistisch rekenen, die het nu sinds een jaar of twintig voor het zeggen hebben in het Nederlandse onderwijs.”

Volgens deze methode, ontwikkeld door wiskundige Hans Freudenthal, leren kinderen rekenen op basis van situaties die aansluiten op hun belevingswereld: snoepjes verdelen, geld betalen. Die aanpak leidt tot meerdere oplossingsmogelijkheden en daarmee tot verwarring bij ouders en leerlingen, constateert voorzitter Henk Tijms van de Stichting Goed Rekenonderwijs. „Wij ontvangen veel klachten van ouders die een goede opleiding hebben genoten. Ze zijn verbaasd over het feit dat de methodes erop gericht zijn dat kinderen zelf moeten ontdekken hoe rekenen in elkaar steekt.”

Hoogleraar onderwijspsychologie Paul Kirschner zegt dat het rekenonderwijs in Nederland gebukt gaat onder twee problemen: de leraren in het basisonderwijs ontbreekt het aan inzicht om een methode als realistisch rekenen goed te kunnen onderwijzen, en het zelfstandig naar oplossingen zoeken is geen goede manier om kinderen iets te leren.

„Er is geen enkel wetenschappelijk bewijs voor de stelling dat je problemen leert oplossen door vaak problemen op te lossen”, zegt hij. Problemen kun je namelijk pas oplossen als je de regels beheerst: die van het rekenen, die van het schaken. En daarna moet je veel oefenen. „Uit onderzoek blijkt dat grootmeesters weliswaar in staat zijn een moeilijk schaakprobleem op te lossen doordat ze duizenden stellingen hebben gezien en gespeeld. Maar dat maakt hen geen inherent betere probleemoplossers.” Kortom: wat kinderen nodig hebben is duidelijke instructie in het rekenen.

Henk Tijms van de Stichting Goed Rekenonderwijs is het met Kirschner eens. Het rekenonderwijs moet volgens hem „terug naar de basis”, waarbij de sleetse wijsheid geldt: oefening baart kunst. „Johan Cruijff heeft ook honderdduizend keer een balletje tegen de muur getrapt voordat hij doorbrak bij Ajax. Rekenen is een kwestie van heel veel oefenen, net als voetbal en piano spelen.”

Hoogleraar wiskunde Van de Craats, tevens voorzitter van de commissie die het niveau voor de rekentoets voor het vwo vaststelt, benadrukt het belang van het hameren op basisvaardigheden: optellen, aftrekken, vermenigvuldigen. „In plaats daarvan krijgen kinderen op de basisschool flauwe opgaven voorgeschoteld, met onnodig veel tekst, terwijl een meerderheid niet uit het blote hoofd weet hoeveel 8 keer 7 is.”

Onderwijskundige Monica Wijers van het instituut Freudenthal, verantwoordelijk voor de invoering van het realistisch rekenen, wijst de kritiek van de hand. „Deze teleurstellende resultaten zijn het gevolg van het feit dat de laatste jaren in het middelbaar onderwijs geen expliciete aandacht is besteed aan rekenvaardigheid, hooguit als onderdeel van het vak wiskunde.” Ze verwacht dat de resultaten zullen verbeteren. „Dit was de eerste keer, het is nog even wennen. Scholen weten nu ook meer wat van hen verlangd wordt.”

Het ministerie van Onderwijs volgt de discussie op de voet, maar wil zich er niet in mengen, zegt een woordvoerder. „De didactische keuze is aan scholen zelf. Zij kunnen vanuit hun professionaliteit bepalen welke methode het best werkt voor hun leerlingen. De overheid bepaalt wat leerlingen moeten weten. Het is aan de scholen hoe ze dat resultaat willen bereiken.”

    • Bart Funnekotter
    • Mark Hoogstad