'Italianen spelen catenaccio'

Als de Italianen, die dekselse pizzabakkers, weer eens succesvol zijn op een EK of WK, dan is het vaak wachten op het woordje ‘catenaccio’, een ietwat denigrerende term die de defensieve stijl van de Italianen moet omschrijven. Maar wat betekent catenaccio eigenlijk? En is dat badinerende toontje wel terecht?

Enfin, eerst dat woord, catenaccio. Het woordenboek zegt dat het ‘grendel’ betekent. Het etiket ‘catenaccio’ werd voor het eerst geplakt op het Internazionale van de Argentijnse coach Helenio Herrera, die in 1964 en 1965 de Europa Cup I won met de Italianen. Het voetbal dat zijn elftal speelde, werd catenaccio genoemd.

Waarom dat catenaccio succesvol was? Herrera posteerde een paar meter achter zijn vier verdedigers een zogenaamde libero, een laatste man, die ervoor zorgde dat een doorgebroken spits werd tegengehouden en afgeslagen ballen werden weggewerkt. De libero was het slot op de deur, een ‘grendel’. Zodoende bleef de keeper verschoond van tegendoelpunten (en een vieze trui).

Italianen voelden zich bijzonder prettig bij catenaccio. „Italiaanse voetballers betraden het veld alsof het een verlengstuk van het leven was”, zei Arrigo Sacchi, de succescoach van AC Milan eens. „Hun instinct vertelde ze dat ze de geëffende paden moeten bewandelen, zodat ze zich veilig en beschermd kunnen voelen.”

Frivoliteit, avonturisme en aanvalsdrang waren termen voor het buitenland. Italianen hoeven niet met ‘mooi voetbal’ te winnen. Het resultaat telt. Zoals wij Nederlanders discussieerden over onze speelstijl op het WK in Zuid-Afrika, dat begrijpen Italianen niet. ‘Hoezo, jullie zijn toch tweede geworden? Basta!’

Critici vinden catenaccio een laffe speelstijl. In de praktijk gaat het dikwijls zo: een elftal laat zich inzakken, wacht rustig af en slaat toe op het juiste moment, tijdens de beruchte ‘contropiede’, de tegenaanval. In het Cruijffiaans, de woordenbrij van Johan Cruijff, klonk het ooit zo: „Italianen kunnen niet van je winnen, maar je kan wel van ze verliezen.” Geen speld tussen te krijgen.

Of toch wel? Italië wordt vaak als een ‘luizenploeg’ neergezet, die op een 1-0 voorsprong komt en die score met succes verdedigt. Is dat zo? De Duitsers winnen vaker met 1-0 dan de Italianen. In 137 EK- en WK-wedstrijden wist Duitsland zestien keer met 1-0 te triomferen – tegen dertien Italiaanse 1-0 zeges (in 107 EK- en WK-duels). Nederland won overigens zes keer met 1-0 (in 75 EK- en WK-duels).

Maar waar komt dat badinerende toontje vandaan? Dat heeft wellicht te maken met het competitievoetbal. In Italië wordt per wedstrijd gemiddeld beduidend minder gescoord (2,56 doelpunten) dan bijvoorbeeld in Spanje (2,76), Engeland (2,81), Duitsland (2,86) of Nederland (3,26).

Maar zeggen dat de Italianen altijd met 1-0 winnen dankzij catenaccio gaat – hoe je het woord ook interpreteert – veel te ver. De Spanjaard Xavi zei het al voor het duel met Italië: „Het catenaccio van vroeger bestaat niet meer. Nu eisen ze de bal meer op en zetten ze meer spelers op het middenveld, terwijl vroeger de nadruk op de verdediging lag.” En wat werd Spanje-Italië? 1-1! Nota bene na een voorsprong van Italië.

Hét bewijs dat catenaccio niet meer bestaat? Andrea Pirlo. Let op hem, morgenavond tegen Kroatië. Pirlo regisseert, domineert en heeft de bal aan een touwtje.

Herrera had het zo niet bedoeld.

    • Jan Cees Butter