In de rafelranden van de Rivièra

De rouille et d’os speelt zich nu eens niet af op de rode loper maar in de achterstraatjes van Cannes. Want de Franse zuidkust is helemaal niet zo glamoureus als de meeste films ons willen doen geloven.

Kijk: hier gaan we heen. In een van de eerste scènes van Jacques Audiards nieuwe film De rouille et d’os gaat de Belgische acteur Matthias Schoenaerts (1977) gedachteloos met zijn vinger over de plattegrond in de trein. Eindpunt: Cannes. Hij komt uit het troosteloze noorden, in Franse films steevast het afvoerputje van sociaal-economische ellende. Werkloosheid. Alcoholisme. Verloedering. Geweld. Dat werk. Maar de Rivièra? Cannes? Dat kennen we toch alleen als glamoureuze, stijlvol sexy setting van films als Hitchcocks To Catch a Thief (1955), waarin Cary Grant een juwelendief in het luxueuze Carlton Hotel speelt, of La piscine, de lome erotische thriller van Romy Schneider en Alain Delon rond een azuurblauw zwembad uit 1969. Of denk maar aan James Bond, die in diverse films het mondaine vakantieoord Cap d’Antibes en de klatergouden casino’s van Monte Carlo aandeed.

De Rivièra, dat is een wereld van mooie mensen, witte paleizen en superjachten. Jacques Audiard lijkt bewust, bijna baldadig met dat beeld te breken. Hij neemt de toeschouwer mee naar de rafelranden van het paradijs, een wereld van illegale straatvechters en louche discotheken, van mensen die in megasupermarkten werken en blij zijn met wat over de datum geraakte pakjes yoghurt. De rouille et d’os spreekt zich af in achterafstraatjes van Cannes en het nabijgelegen Antibes.

Dat Matthias Schoenaerts in de film als Ali naar Cannes reist is ironisch: De rouille et d’os beleefde daar ook zijn wereldpremière. Het is Schoenaerts’ eerste grote internationale rol na de Oscarnominatie voor Rundskop, de rol op grond waarvan Audiard hem castte.

„Het is wel een andere realiteit hè?” merkte Schoenaerts op, in Cannes voor de premère van zijn film. „Ik weet niet of Jacques Audiard daar een heel bewust statement mee heeft willen in de richting van het filmfestival. Maar het is nu eenmaal de realiteit, dat ook in het het zuiden van Frankrijk dit soort levens bestaan. Maar uiteindelijk zijn dat problemen die zich ook in Nederland afspelen, in België, in Frankrijk. Jacques wilde een sociaal-realistisch besef teweegbrengen zonder meteen een sociaal drama te willen maken.”

Audiard staat daarmee meer in de traditie van moderne filmmakers als Robert Guédiguian, die in de jaren negentig voor het eerst systematisch de arbeidersklasse van de Zuid-Franse havenplaats Marseille op de filmkaart zette in films als Marius et Jeanette (1997) en La ville est tranquille (2000). Geen vreemd terrein overigens voor Audiard, die er zelf zijn gevangenisdrama Un prophète opnam. Maar met De rouille et d’os ging hij welbewust de grote stad uit. Niet alleen omdat het scenario dat voorschreef. Of omdat hij in Marineland in Antibes de scènes met orkatrainer Stéphanie (Marion Cotillard) kon opnemen en de zee van belang was voor de sleutelscènes in de liefdesrelatie tussen Ali en Stéphanie. Audiard zoekt naar contrasten. Tussen mensen die alles lijken te hebben, en die, zoals het genre van het melodrama van De rouille et d’os het immers voorschrijft, alles verliezen. En dat doet nu eenmaal veel meer pijn in de zonovergoten gouden schittering van de Méditerranée.