Huwelijksfranje staat weigerdebat in de weg

Ambtenaren mogen niet weigeren om homo’s te trouwen – maar nergens in de wet staat dat ze een toga moeten dragen of een toespraak moeten houden, stelt Jan Wolter Wabeke.

Opwinding en verwarring over de weigerambtenaar zijn niet nodig.

Twee misverstanden staan een werkbare politieke oplossing in de weg. En een goede oplossing is te prefereren boven inzet van deze kwestie bij coalitieonderhandelingen en het inruilen van rechtgeaarde principes tegen judaspenningen.

Eén misverstand is de veronderstelling dat in de Nederlandse wet een ‘homohuwelijk’ is opgenomen. Nederland heeft geen ‘homohuwelijk’, net zomin als een zigeunerhuwelijk, jodenhuwelijk of negerhuwelijk.

In het wetboek is het burgerlijk huwelijk geregeld in de vorm van een universeel huwelijk. Het is een echtverbintenis tussen twee vrije individuen, ongeacht ras, geloof, geaardheid of geslacht. Zelfs twee heterovrouwen of -mannen kunnen, als zij dat vanuit zorgverantwoordelijkheid voor elkaar of om financieel- technische redenen willen, met elkaar trouwen. Dat universele karakter van het burgerlijk huwelijk was ook het oorspronkelijke voorstel en de inzet van de beweging die na twaalf jaar van concept- en strategieontwerpen, procederen, actievoeren en lobbyen resulteerde in de openstelling van ons burgerlijk huwelijk.

Het tweede misverstand is dat de ambtenaar van de burgerlijke stand of trouwambtenaar degene is die huwelijkskandidaten trouwt en in de echt verbindt. Maar volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek trouwen de echtelieden elkaar, en doen zij dat ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand, in het bijzijn van getuigen.

De ambtenaar heeft allereerst de taak te verifiëren of er geen formele beletselen een huwelijk in de weg staan (bijvoorbeeld broer met zus, bigamie, etcetera) en andere formaliteiten in acht zijn genomen. Vervolgens, nadat de echtelieden elkaar het ja-woord hebben gegeven, dient de ambtenaar daarvan akte te verlenen en zorg te dragen voor het inschrijven in het register.

Ceremoniële franje, zoals de toga, een altaarachtige tafel en een toespraak, die de trouwambtenaar positioneert als een quasireligieuze voorganger, komt in de wet niet voor.

Het zijn vooral deze twee hardnekkige misverstanden die een aanvaardbare oplossing van het weigerdebat in de weg staan.

Door de foute term ‘homohuwelijk’ wordt ten onrechte de gedachte gesterkt dat sprake is van een aparte trouwmogelijkheid voor homo’s. En door de nabootsing van de ceremonie van een kerkelijk huwelijk wordt men in de waan gebracht dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een huwelijk moet sluiten en inzegenen. Hierdoor ontstaan onnodige emoties en diepe loopgraven.

De oplossing van deze zich voortslepende en onfrisse kwestie is echter hier ook gelegen. De ambtenaar mag zijn publieke dienstverlening niet discriminatoir verlenen. Zonder aanzien des persoons dient de ambtenaar van de burgerlijke stand het werk te doen dat de wet opdraagt: controleren of er wettelijke beletselen zijn, akte verlenen van het in het openbaar geuite wilsbesluit van twee echtelieden en zorgen voor een correcte registratie. Dat alles kan zelfs vanachter een loket. De gewetensbezwaarde ambtenaar mag wel afzien van het ceremonieel optreden en quasi inzegenen van het huwelijk wanneer de echtelieden hem of haar daarvoor geen inspiratie bieden.

Paren van gelijk geslacht kunnen dan kiezen tussen een ‘kaal’ trouwmoment in een spreekkamer of achter een gemeenteloket, of een feestelijk aangeklede plechtigheid met een andere ambtenaar. En de gemeente biedt dat keuzemenu.

Jan Wolter Wabeke is initiatiefnemer en concipiënt van de openstelling van het burgerlijk huwelijk en voerde destijds samen met anderen gedurende twaalf jaren vele acties om dat in de wet te doen realiseren. Momenteel is hij als raadsheer aan het gerechtshof Den Haag verbonden.