Een stad waar je wat moeite voor moet doen

NRC Handelsblad zwerft door Polen en Oekraïne, op zoek naar verhalen achter het voetbal. Op ontdekkingstocht door Warschau met architect Hubert Trammer.

Warschau, zegt architect Hubert Trammer, is als Berlijn. „In het begin lijkt het een lelijke stad. Maar daarna word je telkens weer verrast door wat er allemaal te zien is.”

En lelijk is Warschau, als je uitstapt op het grote treinstation in de binnenstad. Het centrale plein aan de voet van het reusachtige stalinistische Palac Kultury is afgezet met honderden meters paars hekwerk. Vlak daarachter begint een kilometerslange bouwplaats. Warschau legt een tweede metrolijn aan, en zolang de werkzaamheden duren, zijn grote delen van de binnenstad opengebroken – EK of niet. Gisteren, in de aanloop naar de wedstrijd met Rusland, verzamelden zich hier opnieuw vele tienduizenden supporters: de aangeschoten jongens in wit-rode shirts, de langbenige meisjes in hotpants en op hoge hakken.

Maar Hubert Trammer geeft niets om voetbal. Op zijn stevige sandalen voert de universitair docent bouwkunde me kriskras door de stad: van de buitenwijken van Tarchomin tot de chique winkelstraten van het zuidelijk centrum. Hier woonden de Duitse officieren, en hier is het historische centrum gespaard gebleven. Trammer wijst naar de hoek van de straat: daar was een SS-hoofdkwartier. Verlichte kabels geven de contouren aan van de houten luchtbrug die de Joodse burgers in de Tweede Wereldoorlog moesten gebruiken om van de ene naar de andere kant van het getto te komen. „Soms schoten de Duitsers op ze”, zegt Trammer. „Voor de lol.”

Tot 1939 stond Warschau bekend als het ‘Parijs van het Noorden’. Na de oorlog stond bijna geen steen meer op de andere, was de Joodse bevolking afgevoerd en waren ruim tweehonderdduizend Poolse inwoners omgekomen. Als wraak voor de opstand van 1944 werden grote delen van de stad door de Duitsers opgeblazen. Na de oorlog werd de middeleeuwse binnenstad minutieus herbouwd – met bakstenen die waren geroofd uit de voormalig Duitse steden in het westen van Polen. Buiten het historische centrum verrezen socialistische arbeidersflats en stalinistische allees, die nauwelijks onder doen voor Moskou. Ook daarin lijkt Warschau op Berlijn.

Er zijn meer overeenkomsten. Ook in Warschau is veel te beleven. De stad investeert in de culturele identiteit, met het bijna voltooide Joods Historisch Museum als vlaggenschip. Er zijn ruim dertig theaters. En de beeldende kunsten zijn niet ontmoedigd door het fiasco rond de plannen voor de bouw van een nationaal museum voor moderne kunst, die op typisch Poolse wijze is uitgelopen op een complete chaos.

Het nachtleven bloeit, en niet alleen in het centrum. De verwaarloosde negentiende eeuwse woonkazernes van Praga, aan de andere kant van de rivier Vistula, doen denken aan het Berlijnse Kreuzberg van de jaren tachtig en negentig. Vroeger werd van Praga gezegd dat je er niet veilig over straat kon. Nu is de wijk populair onder de jonge kunstenaars en ontwerpers van de stad. Binnenplaatsen en verlaten fabrieksterreinen herbergen hippe cafés, waar je zelfgebrouwen bier kunt drinken en kunt jammen met een alternatief type met een vreemd uitziend Braziliaans snaarinstrument.

Terwijl Berlijn overspoeld wordt door een steeds grotere golf toeristen, is het hippe uitgaansleven van Warschau nog ongerept. Op een lange avond in Praga tel ik welgeteld één Amerikaan. Krakau is nog altijd toeristenstad nummer één in Polen. Maar de hoofdstad heeft potentie, denkt Hubert Trammer. „Warschau is een aantrekkelijke stad voor jongeren. De stad is goedkoop, dynamisch en spannend. Je voelt gewoon dat het hier gebeurt.”

    • Steven Derix