Een klein, lelijk hondje

Met een verfrommelde boodschappentas in mijn hand liep ik van mijn huis naar de supermarkt, toen daar, midden op de stoep, een klein lelijk hondje stond. Nu is een klein lelijk hondje niet per se iets om van op te kijken, zeker niet in een buurt waar auto’s rijden die zo verlaagd zijn dat alle inzittenden moeten uitstappen als er een verkeersdrempel aan komt, of waar de goedgehumeurde meneer op de hoek me altijd liefkozend ‘papi’ noemt (wat doet vermoeden dat hij me aanziet voor een Puerto Ricaanse player met een zonnebril en een vlassnorretje). Wat echter opviel aan het kleine lelijke hondje, was dat hij bij niemand leek te horen. Er was niemand in de buurt, hij stond er alleen, zonder halsband, zonder lijn. Eigenlijk wilde ik doorlopen – ik had geen zin om over deze hond na te denken, ik had zin om appelflappen en semi-zongedroogde tomaatjes en kaas te kopen – maar dat deed ik toch niet, omdat het hondje er nu eenmaal stond en ik ertegenaan was gelopen en ik me nu verantwoordelijk voelde. Ik wist evengoed niet het te volgen stappenplan voor het vinden van een hondje. Ik kon me niet voorstellen dat het een zwerfhond was – ik wist eigenlijk helemaal niet of er wel zwerfhonden bestaan in Amsterdam. Het leek me hoe dan ook onwaarschijnlijk dat dit plompe, bewegingsloze hondje zich al jaren in leven hield met half opgegeten balletjes falafel waar hij eerst kwaadaardige straatduiven en daarna vette grachtratten vanaf moest jagen. Bellen naar de Dierenambulance leek een optie, al vermoedde ik dat ik dan toch eerst willekeurig bij wat deuren moest gaan aankloppen om te vragen of iemand meer informatie had.

Of, bedacht ik me toen, moest het hondje gewoon met mij mee naar huis? Was het een teken? Goed, ik hou niet van honden, maar als je zomaar een hondje víndt, is dat eigenlijk alsof je Gizmo van de Gremlins vindt, en die zou ik ook wel willen hebben (zodat ik hem na twaalf uur ’s avonds in een kooitje kon stoppen om daarna met een biertje in mijn hand te roepen: ‘Zing, Gizmo, zing!’). Ik zou het kleine lelijke hondje kunnen redden. We zouden een intense vriendschap sluiten, hij zou als pittenzak kunnen dienen voor mijn koude voeten, hij zou meegaan op vakantie en als iemand vervelend tegen me was, zou ik een teken geven waarop het hondje in hoog tempo iemands achillespees zou doorknagen. We zouden onafscheidelijk zijn – totdat hij zich misschien iets te gemakkelijk zou gaan voelen in mijn huis. Langzamerhand zou hij niet meer reageren op mijn plannen. Zou hij alleen maar op mijn hoofdkussen liggen, kwijlend in zijn slaap, en als ik dan de deur uit ging, zou hij al mijn kaas opeten en mijn Triceratopspoef berijden zonder zich ook maar een moment schuldig te voelen. Ik keek nog eens naar het hondje. Hij ging dus echt niet mee naar huis.

De mevrouw van het tweede huis waar ik aanbelde, vertelde me dat het hondje op de hoek thuishoorde en vaak alleen buiten was. Toen ik terugkwam van de supermarkt, stond het kleine, lelijke hondje er nog steeds.

    • Renske de Greef