Opinie

    • Frits Abrahams

De oude

Een oudere mevrouw dan mevrouw O. had ik nooit eerder ontmoet. Ze wordt deze maand 99 jaar. Ik had haar al een jaar of tien niet meer gezien. Mijn vrouw ontmoet haar vaker, mevrouw O. is de moeder van een vriendin uit haar jeugd.

Ik kon me bijna geen voorstelling meer van haar maken. 99 jaar! Dat was wel erg oud. Zou ik haar nog wel herkennen? Sommige hoogbejaarden veranderen in de schijngestalte van iemand die ze lang geleden geweest zijn.

We zochten haar op in haar verzorgingstehuis. Ik zag het meteen: dit was mevrouw O. en ze was nauwelijks veranderd. Ze stond ons, kaarsrecht overeind, op te wachten met een verheugde lach op de lippen. Een kleine, goed verzorgde verschijning, spraakzaam en met een heldere oogopslag.

We zijn de hele middag bij haar gebleven. Haar dochter en zoon, inmiddels ook al diep in de zestig, hielpen haar bij het pamperen van de gasten, maar ze bleef een zeer waakzaam oog in het zeil houden. Intussen reageerde ze geduldig op onze vragen, die haar bekend moeten zijn voorgekomen. Wil niet iedereen hetzelfde weten van mensen die zó oud zijn geworden? Hoe red je het – daar komen die vragen zo ongeveer allemaal op neer.

Ze schetste een realistisch beeld, zonder valse blijmoedigheid, maar ook zonder uitvoerige klachten. Het slapen vond ze het grootste probleem. Om tien uur ging ze naar bed, vijf uur later was ze alweer klaarwakker. Aan dutjes overdag deed ze niet, zonde van haar tijd. De dokter had slaappillen gegeven, maar die gebruikte ze minimaal, omdat je er zo suf van werd.

Overdag las ze en keek ze tv – ze was dol op spelletjesprogramma’s als Lingo. Het was niet altijd gemakkelijk om zo’n lange dag door te komen, maar ze had veel aanloop van haar zoon en dochter. Poetsen, kleren verstellen en koken deed ze nog allemaal zelf. De huishoudelijke hulp hoefde maar eens in de twee weken te komen.

Ze had altijd van winkelen genoten en ze vond het daarom erg jammer dat ze niet meer alleen de stad in durfde. Ze kon zich met een rollator buiten nog goed bewegen, maar ze voelde zich er in haar eentje niet meer veilig genoeg.

Sociale contacten in het verzorgingstehuis? Dat hield niet over. Vroeger woonde er een schoonzus met wie ze veel optrok, nu had ze geen vaste contacten meer. Haar dochter vond dat ze daartoe meer initiatief moest nemen, maar het hoefde voor haar niet meer. Al die ouwe vrouwen in zo’n zaaltje, die zaten toch alleen maar te klagen en te roddelen.

Wel ging ze graag mee met de reisjes van het huis, althans, als haar dochter een van de reisleidsters was. Ze hield dan scherp in de gaten dat alles goed verliep en gaf veel aanwijzingen. Dat redderen was haar tweede natuur, al sinds haar jeugd, toen ze veel moest helpen in het café van haar ouders.

Terwijl ze zo geanimeerd zat te praten, moest ik onwillekeurig aan mijn eigen ouders denken, die zoveel moeizamer een (veel minder) hoge leeftijd hadden bereikt. Oud worden was voor hen een uitputtingsslag geweest. Mevrouw O. leek nog lang niet uitgeput.

Toch kreeg ook zij, zélfs zij, enkele dagen na ons bezoek een onverwachte terugslag. Op de dag dat ze naar een feest zou gaan, werd ze onwel, ze raakte zelfs even buiten bewustzijn. Een ambulance was snel ter plekke, er werd een hartfilmpje gemaakt, maar alles bleek in orde. Het lot had even tegen het raam getikt.

„Ze is nu weer de oude”, meldde haar dochter ons. De oude – zeg dat wel.

    • Frits Abrahams