De natuurbeweging moet op zoek naar nieuwe vrienden

De natuurbeweging in Nederland is de laatste jaren steeds meer in het defensief gedrongen. Gaat het nog wel over mooie natuur, of alleen nog maar over abstracte Europese richtlijnen?

Park Hoge Veluwe Foto: Walter Herfst

Je kunt tegenwoordig geen natuurbeschermer tegen het lijf lopen of hij praat over hoe het heeft kunnen gebeuren.

Hoe is het mogelijk dat de natuurbeweging de afgelopen twee jaar zo in het defensief is gedrongen? Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat natuur in de beeldvorming een hobby van biologen is geworden, een speeltuin voor linkse drammers, een zoveelste congres voor overbodige ambtenaren? Iets waar het nu demissionaire kabinet gerust bijna tweederde op heeft kunnen bezuinigen, een maatregel waar twintig boswachters op een decemberdag bij wijze van protest nog wel voor in hun blootje op het Haagse Plein wilden staan, maar die niet leidde tot een breed maatschappelijk verzet?

„Natuurbescherming is in de hoofden van veel mensen iets abstracts geworden”, schreef onlangs ecoloog Henny van der Windt, universitair hoofddocent aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Meer en meer werd het een doelstelling op zichzelf. Het ging niet meer over een landschap dat mensen mooi vinden, niet meer over een mooie specht, maar over hectaren, beleid, Europese kaderrichtlijnen, doeltypen en natuurdoelkaarten. Heel abstract.”

Misschien is de weerzin begonnen met de korenwolf. Dertien jaar geleden hielden bekende Nederlanders een wake, in een caravan op het Zuid-Limburgse land, als protest tegen het uitsterven van de korenwolf of wilde hamster. Een soort die alle Nederlanders kennen als schattig object in een hokje. Maar het knuffeldiertje bleek ineens ook in het wild te bestaan. Een soort waarvan alleen al de aanwezigheid de aanleg van hele bedrijventerreinen kon tegenhouden. Net zo konden de kamsalamander en de modderkruiper, de zeggekorfslak en de zandhagedis, soorten die het grote publiek koud lieten, de aanleg van woonwijken en spoorlijnen frustreren. Kennelijk omdat een Haagse bestuurlijke elite dat had besloten, of nog erger: ambtenaren uit Brussel, die Nederlanders het recht bleken te hebben ontzegd om daar zelf een mening over te hebben.

Met het aantreden van CDA’er Henk Bleker als staatssecretaris van natuur bleek de tijd ineens rijp voor ressentiment: de afkeer bij de spreekwoordelijk hardwerkende Nederlander van kunstmatig gecreëerde natuur, tupperware-natuur. Waarom eigenlijk moesten akkers van eerlijke boeren met hulp van bulldozers worden omgezet in bloemrijke graslanden vol onbekende soorten? En waarom eigenlijk moest in Zeeland een vruchtbare polder worden prijsgegeven aan de golven van de Westerschelde, tegen de zin van de Zeeuwen, tot meerdere glorie van enkele vogelliefhebbers? Is een koe in de wei niet ook natuur? Zijn golfbanen en voetbalvelden dat zelfs ook niet?

Matthijs Schouten, strateeg bij Staatsbosbeheer en hoogleraar ecologie en filosofie van het natuurherstel aan de universiteit van Wageningen, noemt het „fascinerend” en „verontrustend” hoe de beeldvorming van de natuur is veranderd. „Er zijn in heel korte tijd beelden van twee soorten natuur ontstaan. De eerste natuur is van de gewone mens, mooi, landschappelijk, dichtbij. De tweede natuur is die van ecologen, moeilijk toegankelijk, lastig te begrijpen, vol onbekende soorten, veraf, duur en onnodig. Deze beelden kwamen met angstwekkende vitaliteit tot leven.”

Veel analytici verklaren de aversie tegen de natuurbeweging uit de verzakelijking van het natuurbeleid en de regeldrift van Haagse en Europese ambtenaren. Friso de Zeeuw, hoogleraar gebiedsontwikkeling aan de TU Delft: „Het natuurbeleid is te lang gedomineerd door een chagrijnige uitwerking van regels. Er mochten vooral heel veel dingen níet. Natuur is op zichzelf leuk, maar kreeg daardoor een negatieve bijsmaak. Het was wachten op het moment dat het vast zou lopen.”

De natuurbeweging was misschien ook te dicht tegen de overheid aan gaan schurken. De Zeeuw: „Veel natuurclubs waren afhankelijk van overheidssubsidies. Die subsidies zijn verlaagd. Bleker ging daarbij wat mij betreft té pittig tekeer, want hij bracht door zijn bezuinigingen de continuïteit van het natuurbeheer in gevaar. Het was cold turkey. Maar de afhankelijkheid van die subsidies was inderdaad te groot.”

De behoefte aan zelfreflectie is groot, bij de natuurclubs. Vereniging Natuurmonumenten, de grootste private natuurbeheerder van Nederland, kampt de laatste jaren met een fors ledenverlies. Hebben hun boswachters iets verkeerd gedaan? Was het de tijdgeest? Heeft de organisatie strategisch gefaald?

Jan Jaap de Graeff, nog tot volgend jaar algemeen directeur van Natuurmonumenten, heeft niet zoveel zin om in het defensief te gaan. Zo slecht gaat het niet: „Ik ben optimistisch.” De politiek heeft in het Lenteakkoord eenderde van de bezuinigingen ongedaan gemaakt. Er komt steeds meer belangstelling voor cultuurhistorie. Het aantal vrijwilligers bij Natuurmonumenten is de afgelopen zes jaar verdubbeld en de donaties lopen weliswaar in aantal, maar niet in omvang terug.

De Graeff ziet vooral algemene oorzaken. „De natuurbeweging heeft driekwart eeuw tegen de stroom in geroeid. Pas aan het begin van de jaren negentig werd het plan voor de ecologische hoofdstructuur gemaakt en is wat wij wilden mainstream beleid geworden. Dat leidde tot veel jargon en onbegrijpelijke afkortingen. Deze technocratisering heeft een reactie uitgelokt. Er is een afstand gegroeid tussen beleidsmakers en publiek. Bovendien denken veel mensen: ‘Als natuurclubs en overheid zijn versmolten, waarom zou ik die clubs dan nog steunen? Het komt vanzelf wel goed’.”

Huisfilosoof van Staatsbosbeheer Matthijs Schouten heeft de indruk dat natuur vooral wordt gezien als een „luxeproduct”. Schouten: „Dat kwam heel duidelijk naar voren in het beleid van het nu demissionaire kabinet. Blijkbaar wordt natuur gezien als iets moois voor als je geld hebt, en niet als iets dat betekenis heeft voor gewone mensen. De natuurbeweging, maar eigenlijk de gehele academia, is er niet in geslaagd om duidelijk te maken dat ecosystemen helemaal geen luxe zijn, maar bepalend voor het menselijk leven. We zullen duidelijk moeten maken dat juist een economische crisis vraagt om duurzame oplossingen. Natuur is een voorwaarde voor menselijk welzijn. De ecosystemen van de natuur liggen niet aan de top van de piramide, maar aan de basis. De kwaliteit van leven houdt direct verband met de natuur. We moeten laten zien dat de natuur de leefbaarheid van de mensen hier en nu bepaalt. Het gaat niet alleen om zeldzame soorten, maar om de rijke gemeenschap van levende wezens waar wij mensen deel van uitmaken.”

De natuurbeweging speculeert druk over de te volgen tactiek om de harten en de geesten terug te winnen. Ecoloog Henny van der Windt denkt dat de natuurbeweging onder meer moet appelleren aan de „trots” op het nationaal erfgoed, net als in Engeland, en meer „los van de overheid” het „verhaal van de natuur” moet vertellen. Friso de Zeeuw denkt dat „nieuwe vrienden” moeten worden gezocht, onder stedelingen die het een prettig idee vinden dat bijvoorbeeld het Groene Hart bij hen om de hoek ligt, maar ook onder bewoners van gebieden met landschappelijk groen dat wordt bedreigd. Directeur De Graeff van Natuurmonumenten wil aansluiten bij de hernieuwde interesse voor „karakteristieke Nederlandse landschappen”. Hij ziet ook graag dat er een einde komt aan de strikte scheiding tussen ecologennatuur en boerenland. „Dat leidt tot vervreemding.” En hij wil beter luisteren naar wat mensen beweegt, zodat hij hun „spreekbuis” kan zijn, bijvoorbeeld bij het protest tegen de aanleg van de Blankenburgtunnel bij Rotterdam. „Meer publiek debat en minder convenanten.”

Wat de natuurbeweging in elk geval niet moet doen, meent Matthijs Schouten, is een „goednieuwsshow” houden als een enkele diersoort van de ondergang is gered. „Dat komt ongeloofwaardig over.” Beter is het uit te dragen dat natuur iedereen dagelijks aangaat. Zonder te moraliseren. „Moraliteiten zijn geen inspirerende drijfveren meer.” Schouten: „Veel jongeren willen in reactie op de crisis anders opereren. Niet meer uit de morele overtuiging dat je als beschaafd mens de natuur behoort te redden, maar uit persoonlijke noodzaak. Dat vind ik inspirerend.”

    • Arjen Schreuder