De Bovenbazen (29)

Hij stapte uit zijn voertuig en begaf zich prijzend tussen het vernietigde gewas.

‘Een flinke aanpak,’ sprak hij. ‘Hier kan gebouwd worden. Wat zijn je plannen, obb? Wat ga je er mee doen?’

Heer Ollie slikte moeilijk.

‘Doen?’ herhaalde hij met een gedwongen glimlach. ‘Ik moet iets aan dit braak stuk natuur doen; dat spreekt. De spinnen zijn dood en nu moet ik op reis, naar een onbesmet gebied, als u begrijpt wat ik bedoel…’

‘Ik kan je niet volgen,’ onderbrak de oliekoning. ‘Maar goed, ik dring niet aan; je hebt recht op je eigen manipulaties. En als je op reis wilt, kan je gebruikmaken van mijn privévliegtuig. Het vliegveld van de Verenigde Olie is hier vlakbij. Hier is mijn kaartje, ga je gang.’

‘O, dat is aardig,’ zei heer Bommel verrast, doch de andere wenkte af.

‘Help ik jou, dan help je mij,’ vervolgde hij. ‘Als je iets leuks hebt, gaan we een paar aandelen ruilen, daar reken ik op. Goeie reis.’

Heer Ollie stak het kaartje in zijn zak en begaf zich, gevolgd door Tom Poes, in de richting van het aangeduide vliegveld. ‘Vreemd,’ sprak de heer Steinhacker tot zijn secretaris. ‘Daar gaat hij weer met dat bleke ventje. Wie is dat toch, Steenbreek?’

‘Een zekere T. Poes,’ verklaarde de aangesprokene. ‘Niemand, meneer. Een onvermogende.’

‘Ik heb daar tegen gewaarschuwd,’ prevelde de magnaat. ‘We moeten die in de gaten houden, want hij bevalt me niet helemaal. En obb maakt een erg onzekere indruk.’

    • Marten Toonder