Zet meer overheidsinformatie online

Het initiatiefvoorstel van Kamerlid Mariko Peters voor een nieuwe Wet openbaarheid van bestuur is niet ideaal, maar helpt de discussie vooruit, betoogt Aline Klingenberg.

Tweede Kamerlid Mariko Peters (GroenLinks) publiceerde vorige week een initiatiefvoorstel voor een nieuwe Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Over de bestaande wet wordt al jaren gediscussieerd. De voor- en tegenstanders komen niet dichter bij elkaar. In dit nieuwe voorstel wordt een flink aantal wijzigingen voorgesteld. Is een nieuwe wet nodig?

Wereldwijd was Nederland een van de eerste landen met openbaarheidsregelgeving, maar de bestaande wet is verouderd. Zo gaat deze wet ervan uit dat iemand die informatie zoekt, hiertoe een verzoek bij de overheid indient. De overheid beslist. Als de verzoeker het niet eens is met de beslissing, kan hij of zij naar de rechter. Uiteindelijk bepaalt de rechter of de informatie openbaar is.

Deze procedure is tijdrovend. Gemiddeld is een verzoeker tot en met het hoger beroep zo twee jaar verder. Uit Gronings onderzoek blijkt dat journalisten relatief weinig gebruik maken van de mogelijkheden die de wet biedt. Ze hebben een voorkeur voor informele informatievergaring. Weigerachtige overheden kunnen met langdurige procedures de bedoeling van de wet uithollen.

Aan de andere kant klagen overheden dat verzoeken om informatie te veel tijd en geld kosten. Deels hebben ze gelijk. Een paar notoire ‘wobbers’ maken misbruik van de procedurele middelen die de wet biedt. Vooral de politiekorpsen merken dit. Toch schreef toenmalig minister Donner (Binnenlandse Zaken, CDA), die toch niet bekendstond als een WOB-liefhebber, in mei 2011 aan de Tweede Kamer dat de omvang van dit probleem meevalt.

Het voorstel van Peters biedt een aantal oplossingen. Zo introduceert ze een informatiecommissaris. Deze moet toezicht houden op de werking van de openbaarheidsregelgeving. Veel ons omringende landen kennen een dergelijk instituut.

Het is niet nodig om hiervoor een nieuw instituut op te richten. Die taak kan bijvoorbeeld worden toebedeeld aan de Ombudsman, zoals in Ierland, of aan de privacywaakhond (het College bescherming persoonsgegevens), net als in het Verenigd Koninkrijk en Duitsland.

Van Peters moet de informatiecommissaris beslissen over beroepschriften, ter vervanging van de bestaande bezwaarprocedure. Dit lijkt niet meteen een verbetering. De behandeltijden van beroepschriften door de informatiecommissarissen uit Ierland en het Verenigd Koninkrijk verschillen niet noemenswaardig van die in Nederland nu.

Een andere vernieuwing is de mogelijkheid om verzoeken af te wijzen die overduidelijk misbruik maken van de wet. Het is omslachtig dat dit moet lopen via de informatiecommissaris, maar zo’n bepaling biedt overheden wel een middel om ‘misbruikverzoeken’ zonder inhoudelijke beslissing te kunnen afwijzen. Toch moet de overheid niet te vroeg juichen. Zo veel misbruikverzoeken zijn er niet, en verzoeken van journalisten of milieuorganisaties worden met deze maatregel niet buiten de deur gehouden.

Belangrijk is dat het voorstel bepaalt welke informatie de overheid sowieso via internet openbaar moet maken. Verzoekers en de overheid hoeven zo geen tijdrovende verzoekprocedures meer te volgen. Voor een deel bepaalt de wet welke overheidsinformatie openbaar is, en niet de rechter. Dit leidt tot meer openheid.

Het is goed dat het voorstel van Peters er ligt. Ik betwijfel of al haar voorstellen even waardevol zijn, maar dankzij dit voorstel kan een parlementaire discussie ontstaan over de wijze waarop toegang tot overheidsinformatie gestalte moet krijgen. Zo kan de vastgelopen discussie een constructief einde krijgen.

Aline Klingenberg is verbonden aan de vakgroep bestuursrecht en bestuurskunde van de faculteit rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen. Vorig jaar promoveerde ze op bestuursrechtelijke normen voor elektronische overheidscommunicatie.