Weinig politieke ponteneur

Het CDA lijkt zich te schamen voor zijn tien bewindslieden in het kabinet-Rutte. Op de kandidatenlijst van het partijbestuur voor de komende verkiezingen staat geen enkele minister of staatssecretaris.

Niet alleen de senioren op regeringsniveau, als vicepremier Maxime Verhagen of minister Marja van Bijsterveldt van Onderwijs, gaan weg. Ook juniorbewindslieden qua anciënniteit – denk aan staatssecretaris Henk Bleker en Ben Knapen – zullen geen volksvertegenwoordiger voor het CDA worden. Afgezien van de Tweede Kamerverkiezingen van 1998 en 2002, toen het CDA in de oppositie zat, is het voor het eerst sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 dat christen-democraten zo ostentatief geen beroep doen op hun beproefde bestuurlijke kader.

Ook in de Tweede Kamerfractie heeft het partijbestuur van het CDA niet bijster veel vertrouwen. Op de verkiesbare posities tot plaats 30 staan slechts 9 zittende parlementariërs en maar liefst 21 novieten

Partijvoorzitter Ruth Peetoom grijpt kennelijk elke kans aan om duidelijk te maken dat de gedoogcoalitie met de PVV, die het CDA heeft verscheurd, slechts een intermezzo was waaraan de partij zo min mogelijk herinnerd wil worden. Ook het verkiezingsprogramma straalt dat uit.

De eerste conclusie over het voorzitterschap van Peetoom, dat pas veertien maand duurt, is dan ook helder. Peetoom heeft gemankeerd partijleider Verhagen, die het CDA uit het politieke midden wilde halen door het om te bouwen tot een conservatieve volkspartij à la de Beierse CSU, de pas afgesneden. Elke coalitieoptie na de verkiezingen houdt ze open.

Maar die strategie kent veel risico’s. Het is de vraag of het CDA met deze drastisch vernieuwde kandidatenlijst in staat zal zijn de oude bolwerken in Noord-Brabant en Limburg te heroveren. Bij de eerste 30 plaatsen staan slechts zeven christen-democraten uit dit Zuiden. Of die electoraal charisma hebben, zal nog moeten blijken.

Nog belangrijker is het gebrek aan kandidaten uit het door het CDA altijd zo gekoesterde ‘maatschappelijke middenveld’. Op de lijst staan maar weinig politici die gelouterd zijn in midden- en kleinbedrijf, zorg, boerderij, visserij, volkshuisvesting of onderwijs.

Deze magere representatie van het het middenveld is logisch. De rol van de bestuurlijke tussenlagen, waar de overheid en de burger vroeger samenkwamen, is gemarginaliseerd. Die trend is er mede de oorzaak van dat het CDA zich moet verzoenen met een plaats op het tweede of zelfs derde plan. Politieke ponteneur is nu eenmaal een grotere factor geworden dan een structurele maatschappelijke achterban. Maar met louter nieuwe gezichten wordt dat probleem van het CDA niet opgelost.