Waarom mensen zo graag té aardig zijn

Altijd begripvol zijn, altijd klaarstaan om anderen te helpen, steeds jezelf wegcijferen. Schrijver Sophie van der Stap kent de soort – en raakt er geïrriteerd door.

Niemand had zin in de opwarmmaaltijd die in een Tupperware doosje op tafel lag. Guillaume had ‘niet zo’n honger’ en Marie, die er die middag twee uur voor in de keuken had gestaan, had eigenlijk meer zin in kiwi. Omdat ik me hiermee om acht uur’s avonds in mijn keuken niet zo goed raad wist, stelde ik voorzichtig voor met de overgebleven resten van de lunch te beginnen, dan zouden we de opwarmmaaltijd (een ‘brandade de morue’) altijd daarna nog kunnen opeten. Dat vond iedereen een goed idee. De resten van de lunch waren voldoende om niet meer naar de brandade om te kijken; ze is om tien uur ’s avonds, onaangeroerd, samen met Marie, terug naar huis gegaan, en daar waarschijnlijk in de prullenbak gekieperd.

In bed dacht ik aan het lot van deze kabeljauw die, uit eigen habitat weggevist, misschien wel urenlang onder een berg andere vissen lucht had liggen happen om later met een handvol gekookte aardappels, room en kaas te verdwijnen in een ovenschotel in het keukentje van Marie om weer later te eindigen in een Tupperware doosje bij mij op de keukentafel.

Begrijp me niet verkeerd, langer dan dit heb ik niet stilgestaan bij het leven van deze kabeljauw. Waar ik wel langer bij stilsta, is Marie die toch een hele poos bezig is geweest in de keuken, omdat zij vond dat ze – na alle uitnodigingen – niet met lege handen kon aankomen. Ja, zij zou dit keer voor Guillaume en mij koken, alleen dan in mijn keuken (omdat ze op dezelfde vierkante meters slaapt als waarop ze doucht en kookt).

Toen ze Guillaume die dag aan de lijn had, durfde hij haar niet te zeggen dat hij eigenlijk niet van brandade hield. Toen Guillaume mij dit later vertelde en vroeg of we Marie moesten bellen om haar te zeggen dat ze echt heus niet een brandade hoefde te maken, zei ik: ja, dat is nu te laat, die verdomde brandade staat nu waarschijnlijk al in de oven. Zeg maar niks, we eten ’m wel op. En daar lag ze dus, op tafel, de uit beleefdheid gestorven en geprakte, bedreigde zoutwatervis.

Uit het leven van een ‘pleaser’

Welkom in een allergewoonste situatie uit het leven van een ‘pleaser’. Je kent ’m vast wel: altijd een aardig woordje over voor je stropdassencollectie, je met zorg uitgekozen behang in de hal en je ovenschotels van zondagmiddag. Nooit te beroerd om je te bedanken, het liefste twee keer. Bij een begroeting meteen op zoek naar je ogen voor die ene bevestigende blik. Goede manieren? Een aardig karakter? Welnee. Zonder ‘le regard des autres’ van Sartre besta je niet (en val je pas na uren gepieker – ‘heb ik de gastheer eigenlijk wel bedankt? – in slaap). Alles voor een blik. Je behaagt en je verleidt, overal waar je kan, want daar ben je nou eenmaal goed in. Iemand die behaagt, betaalt niet alleen de rekeningen, maar vertelt ook leuke verhalen, en zeker geen verhalen over vieze brandades. Dat past niet in een spik-en-spanhumeur. Op de vraag hoe het je vergaat, antwoord je dus steevast goed, niet een binnensmonds goed om er gemakkelijk van af te komen, maar een dikke – iedereen mag het horen – ‘Uitstekend!’, want dat is een vereiste van je personage.

Voor de pleaser kan het nooit genoeg zijn – zolang de ander maar tevreden is. Ik raad je dan ook ten zeerste aan om je met zoveel mogelijk pleasers te omringen.

Waar wordt de pleaser geboren? In de schoot van een moeder die je heeft verlaten? Een vader voor wie je nooit genoeg was? Hoewel geboren pleasers doorgaans mensen zijn die te weinig aandacht en bevestiging hebben gekregen in hun jeugd, zoals dat bij de psycholoog op de sofa heet, hoeft hij daar niet terecht te komen. Er zijn ook andere manieren om je narcisme te ontwikkelen. We leven in een individualistische maatschappij, ook wel bekend als ‘the culture of personality’ (met hier tegenover ‘the culture of character’). Een cultuur waarin onze status zich ontleent aan een persoonlijkheid, en niet aan daden. Je wordt beoordeeld op je cover, niet op de binnenkant. Andy Warhol had de Facebook-cultuur al voorspeld met zijn ‘15 minutes of fame’. Ook de fictieve Margaret Thatcher, gespeeld door Meryl Streep, refereert eraan in ‘The Iron Lady’. Misschien wel de mooiste scene van de film is die waarin een bejaarde Thatcher uitvalt tegen haar dokter die haar vraagt hoe ze zich voelt. „How do I feel?’ I don’t care how I feel, all I’m interested in is what people think. Today its all about being someone rather than doing something.”

Narcisme

Pleasing hangt dus niet zo nauw samen met filantropie als wel met narcisme. Wijlen Harriet Braiker, een Amerikaanse psychologe met Dynasty-uiterlijk, heeft er een paar boeken over geschreven: The disease to please, Curing the people-pleasing syndrome. People-pleasers herken je aan de volgende gedragssymptomen: ze zijn het zelden oneens met belangrijke mensen. Ze zeggen meteen sorry als jij op hun tenen staat. Ze weten beter hoe het met jouw problemen zit dan met hun eigen ongesteldheid. Ze voelen zich verantwoordelijk voor jouw verjaardagsfeestje dat niet zo lekker liep. Ze staan klaar bij iedere verhuizing. Verder vertelt iedere pleaser je dat, ondanks de zakken van wallen die boven op je wangen plakken, je er echt nog heel jong uitziet. Daarbij kook je ook veel beter, heb je toffere vrienden, eigenlijk ben je gewoon veel leuker. Ten slotte, maar dat geldt alleen voor de rasechte pleasers: ook zij hebben zo genoten van Oorlog en Vrede. (Je kunt er gif op innemen dat de meeste fenomenologie-studenten geboren pleasers zijn; hun moeders hadden het zo graag willen studeren, maar hebben de kans niet gehad.)

Nu denkt u misschien: ach, als Oorlog en Vrede en een Tupperware-brandade het ergste zijn, wat je kan overkomen… Maar nee, dat is niet het ergste: een pleaser kan het zichzelf zo lastig maken dat hij zijn hele leven aan anderen geeft. Je kunt jezelf een leven lang als een echte ‘bonne’ dienstbaar maken voor anderen, met als enige verschil dat je geen schort omgeknoopt hebt en aan het einde van de maand geen envelop toegeschoven krijgt. Geen probleem als er echt een filantropisch belang achter zit, maar dat is het probleem: de menslievendheid ontbreekt volledig.

Maar, tegenover al deze offers – de lege huishoudportemonnee, die fenomenologiestudie, dat dictatoriale huwelijk in denkbeeldig schort, Oorlog en Vrede met meer namen dan gebeurtenissen – staat een grote beloning; altijd een tafel waar je kunt aanschuiven, altijd een zomerhuis met opgemaakte logeerkamer waar je kunt komen aanwaaien, altijd iemand die je vertelt dat jullie zo boffen omdat het leven hem ook zo goed gaat. Echt, het vergaat je uitstekend. En jawel, altijd weer een Tupperware-brandade, opgevist uit een volle vriezer. Of had je ‘nee, dank je’ moeten zeggen? Ik hoop dat ik vanavond de laatste heb verorberd.

Sophie van der Stap (1983) schreef vier romans, waaronder ‘Meisje met negen pruiken’ (2006) en ‘En wat als dit liefde is’ (2011). Ze woont in Parijs en is regelmatig in Hamburg, New York en Shanghai.

    • Sophie van der Stap