Vechten om de buitenlandse student

Landen concurreren om de beste buitenlandse studenten. Voor hogere onderwijskwaliteit. En om de centen.

Redacteur Europa

Het was een van de eerste maatregelen van de nieuwe regeringen in Moskou en Parijs: het gemakkelijker maken voor buitenlandse studenten om in elk geval een paar jaar te komen studeren en daarna te blijven. Veel hoogopgeleiden in een land betekent een sterke economische concurrentiepositie. Rusland heeft de buitenlandse ervaring nodig „als bodem onder de creativiteit van zijn eigen wetenschappers”, zei premier Medvedev.

Ook staatssecretaris Zijlstra (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) schreef vorige maand dat het voor buitenlandse studenten aantrekkelijker moet worden om na hun studie in Nederland te blijven. Volgens het Centraal Planbureau kan het positieve effect van buitenlandse studenten op de overheidsfinanciën oplopen tot 740 miljoen euro.

De strijd om de knapste geesten is een wereldwijde vechtmarkt geworden. Landen en universiteiten concurreren om de beste studenten uit het buitenland. Die kunnen het onderwijs en onderzoek opvijzelen en bedrijven een voorsprong geven. De TU Eindhoven maakt bijvoorbeeld afspraken dat studenten twee jaar een beurs krijgen en daarna drie jaar werken bij de hoogtechnologische bedrijven in de regio: zij zitten te springen om goede mensen.

Versterking van de internationale concurrentiepositie en tegengaan van vergrijzing zijn belangrijke economische overwegingen om het hoger onderwijs internationaler te maken, maar het gaat soms nog directer om de centen. Je kunt goed geld verdienen met hoger onderwijs aan buitenlandse studenten.

Neem Australië en Nieuw-Zeeland. „Of je nu op zoek bent naar avontuur of persoonlijke ontwikkeling, het verbeteren van je Engelse taalvaardigheden of een voorbereiding op een international (sic) carrière”, wij bieden het, zo staat op een gezamenlijke website in het Nederlands. Wie geïnteresseerd is, krijgt veel hulp aangeboden, belooft de site: ‘Gratis? Gratis!’

De twee landen verdienen er goed aan. Voor Australië is hoger onderwijs na kolen en ijzererts de belangrijkste bron van buitenlandse valuta. In het academische jaar 2010-2011 brachten buitenlandse studenten 16,3 miljard dollar, nu ongeveer 13,3 miljard euro, in het laatje. Meer dan een op de vijf studenten in Australië komt uit het buitenland. Voor veel universiteiten vormen buitenlandse studenten die het volle pond betalen aan collegegeld een onmisbare bron van inkomsten.

In Nieuw-Zeeland zijn de inkomsten via buitenlandse studenten in tien jaar tijd verviervoudigd, naar 1,7 miljard euro. Het land verdient meer aan zijn universiteiten dan aan zijn wijn. De Canadese regering heeft uitgerekend dat buitenlandse studenten meer opleveren dan kolen. Volgens een recent Brits rapport is hoger onderwijs voor buitenlandse studenten de grootste groeisector: de 9,7 miljard euro aan inkomsten uit 2009 zouden kunnen stijgen naar 20,9 miljard euro in 2025.

Maar is het wel een goede ontwikkeling, dat hoger onderwijs steeds vaker door een economische bril bekeken wordt? Twee maanden geleden waarschuwde een groep universiteitsbestuurders en onderwijsdeskundigen uit de hele wereld dat het de verkeerde kant op gaat. Concurrentie dreigt in de plaats te komen van samenwerking, zo staat in een ‘Oproep tot actie’ van de Internationale Associatie van Universiteiten. „Nu het hoger onderwijs in sommige opzichten een wereldwijde ‘industrie’ is geworden, is de internationalisering van hoger onderwijs in sommige gebieden een competitie geworden waarin commerciële en andere belangen soms de fundamentele academische missie en waarden overschaduwen.”

Dat speelt bijvoorbeeld bij het groeiende aantal buitenlandse campussen van westerse universiteiten. Alleen al in de Verenigde Arabische Emiraten hebben 37 buitenlandse universiteiten een eigen campus. Een andere Golfstaat, Qatar, lokt buitenlandse universiteiten met oliedollars naar een ‘Education City’. Ook in China, Singapore en Maleisië zijn steeds meer buitenlandse universiteiten actief. Zij kunnen daar hun goede naam te gelde maken en werken aan een internationaal wetenschappelijk netwerk. Soms is het een soort franchise, soms is er een nauwe band met de moederuniversiteit.

New York University loopt voorop in het opzetten van een internationaal academisch netwerk. Maar vaak is bij deze vertakkingen van universiteiten de kritiek te horen dat er vooral financiële motieven spelen. Het gaat om de overheidssteun en de collegegelden.

Veel universiteiten zetten die internationale stappen zonder duidelijke academische strategie, zei Tom Gore, van de Universiteit van Londen, op een conferentie eind april in Kuala Lumpur. „De tendens bestaat om een businessmodel te verwarren met een strategie.”

Op diezelfde conferentie zei de Maleisische staatssecretaris voor Hoger Onderwijs, Hou Kok Chung, dat zeker 25 buitenlandse universiteiten „zaken willen doen” in zijn land. In principe zijn ze welkom, zei hij, als aanvulling op het bestaande aanbod aan hoger onderwijs. Maar hij waarschuwde dat Maleisië scherper gaat letten op de kwaliteit. „Dit mag geen free-for-all-situatie worden, waarin elke ‘Tom, Dick en Harry-universiteit’ simpelweg kan binnenkomen en een campus kan openen.”

Een maand eerder had een hoge Chinese functionaris zich in Londen op vergelijkbare manier uitgelaten. „Niet alle buitenlandse partnerschappen zijn van hoge kwaliteit”, zei Wang Lisheng, een medewerker van het Chinese ministerie van Onderwijs. Bij een steekproef van honderd onderwijsprogramma’s kon net de helft de Chinese kwaliteitstoets doorstaan.

Meer studenten van buiten betekent niet automatisch een verrijking. Soms kosten ze meer dan ze opleveren. Binnen Europa wordt bijvoorbeeld in principe geen extra collegegeld gevraagd aan studenten uit een ander EU-land. Landen als Nederland, Oostenrijk en Denemarken, die veel Duitse studenten krijgen, moeten daar geld op toeleggen. Voor sommige landen wordt dit te duur en dat heeft gevolgen. In Zweden is het aantal buitenlandse studenten gekelderd sinds die het volle pond aan collegegeld moeten betalen.

Daarom kijkt Den Haag anders aan tegen de zalen vol Duitse studenten dan universiteiten en hogescholen in Nijmegen, Venlo of Maastricht. Fijn voor die instellingen dat ze veel studenten trekken. Maar moeten de kosten van de Duitse studenten door Nederland worden betaald? Als internationalisering bedoeld is om je eigen denkraam los te laten, is een mix van nationaliteiten te prefereren, schreef staatssecretaris Zijlstra.

Niet alle buitenlandse studenten zijn de toppers die iedereen zoekt. In België woedt de discussie of de ‘uitwijkelingen’ die daar medicijnen komen studeren omdat ze in Nederland zijn uitgeloot, een verrijking vormen voor de universitaire gemeenschap. En willen ze wel blijven?

Hoe dan ook: steeds meer studenten gaan naar het buitenland om daar onderwijs te volgen of een studiestage te lopen. Volgens de Oeso, de club van rijke industrielanden, studeerden in 1975 zo’n 800.000 mensen in het buitenland. Anno 2010 zijn het er vijf keer zo veel, bijna vier miljoen.

Een deel van die groei zit in het Erasmusprogramma, de Europese beurzen waarmee je als student drie tot twaalf maanden naar het buitenland kunt. Maar opvallend is dat de opkomende economieën het grootste deel van de groei aan buitenlandse studenten opeisen. Van de 3,7 miljoen studenten die in 2009 buiten hun eigen land studeerden, kwam meer dan de helft uit China, India of Zuid-Korea. De VS blijven de favoriete bestemming. Maar landen als China, Maleisië, Qatar en Dubai hebben grootse plannen. En de meeste studenten uit de BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) zoeken hun toekomst niet in Europa.