Terug naar West-Berlijn

Het moet maar eens gezegd: ook het westen van Berlijn hoort bij de Duitse hoofdstad. Sterker: West-Berlijn heeft zozeer bijgedragen aan de unieke naoorlogse geschiedenis van deze doorleefde stad, dat het westen met een beetje overdrijving belangrijker kan worden genoemd dan het oosten.

Maar sinds de Muur viel en de stad één werd, dreigt West-Berlijn in irrelevantie te verzinken. Bahnhof Zoo, ooit brandpunt en schandvlek van deze eilandmetropool, is een halte voor regionale treinen geworden. Charlottenburg, eens het centrum van West-Berlijn, blijft prachtig en aangenaam, maar de spraakmakende culturele elite die hier woonde, is uitgeweken naar het oosten. Naar Mitte – het nieuwe centrum – naar Prenzlauer Berg, Friedrichshain en Pankow.

Zelf heb ik jarenlang naar tevredenheid in Charlottenburg gewoond. De wijk is bedaagder geworden sinds hij zijn centrumfunctie verloor, maar ik ben verknocht geraakt aan de betrekkelijke rust hier en de elegantie van de zijstraten van de Kurfürstendamm. Die beleeft zelf na de moeilijke jaren ’90 nu een wedergeboorte als winkelpromenade.

Toen een Nederlandse collega-correspondent mij ooit thuis bezocht, zei hij verbaasd – alsof hij niet uit Prenzlauer Berg kwam, maar een verre reis had moeten maken – dat ik „echt in de Bondsrepubliek” woon. Niet in Berlijn of het oosten van Duitsland, maar ergens in Keulen of Bonn. In het verre westen, waar weinig loos is en vooral zestigplussers wonen. Dat laatste is een cliché, maar het is waar dat de dynamiek van West-Berlijn niet kan tippen aan die van het oosten.

„Het verenigde Berlijn heeft een ambivalente, gespannen verhouding met de erfenis van West-Berlijn”, schrijft Berlijnkenner Wilfried Rott in Die Insel. Eine Geschichte West-Berlins 1948-1990. In beide stadsdelen botsen onwetendheid en nostalgie met elkaar, meent Rott. Ruim eenderde van de Berlijnse bevolking heeft de deling van de stad al niet meer meegemaakt. Voor hen is West-Berlijn een gespreksonderwerp van bejaarde ‘Wessi’s’ die bedroefd zijn „over de teloorgang van de pluche cafés aan de Kurfürstendamm”.

Op internetfora vragen jongeren hoe het zat met West-Berlijn. „Hebben de West-Berlijners werkelijk in deze enclave geleefd? Waren ze niet eenzaam, zo geïsoleerd van de rest van de Bondsrepubliek? Hoe kwam je eigenlijk van de DDR in West-Berlijn? Door een tunnel?”

Voor mijn twee nichten, die in West-Berlijn zijn opgegroeid en de Muur zagen bouwen en vallen, was de stad een dorp en een eiland tegelijk. Iedereen kende elkaar. Het gevoel van isolement beschrijven zij eerder als geborgenheid. Alleen reizen was een probleem.

West-Berlijn, schrijft Wilfried Rott, was „een onmogelijke stad”. Nu is het onderdeel van een min of meer genormaliseerde metropool.

Ik voorspel dat West-Berlijn binnenkort wordt herontdekt. De huren zijn er nog niet geëxplodeerd, de toeristen zijn minder opdringerig. Charlottenburg met zijn lommerrijke alleeën, waar ’s nachts de gaslantaarns mooi maar weinig licht geven, zal een nieuwe bloei doormaken. Maar dan ben ik al weg.

Joost van der Vaart