Preutse Britten durfden 'smerig' pinguïngedrag niet te publiceren

Het is nu 2012 en we hoeven er niet langer omheen te draaien: Adélie-pinguïns zijn smerige vogels. In hun kolonies op de zuidpool scharrelen altijd mannetjes rond die geen vrouwtje hebben kunnen vinden en seksuele frustratie brengt ze tot weerzinwekkende perversiteiten.

Sommige staan zich openlijk en in het zicht van de broedende gemeenschap te bevredigen en storten daarbij per keer evenveel zaad op de ijskoude rotsen als zij normaal gesproken in de warme cloaca hadden gedaan. Andere vergrijpen zich aan elkaar of aan piepjonge kuikentjes, niet zelden waar de ouders bij zijn. En woorden schieten tekort voor het gedrag van ongepaarde pinguïnmannetjes die een dood vrouwtje tegenkomen dat er uitnodigend bij ligt. Dat is: met half geloken ogen. Het kadaver wordt soms door een reeks mannetjes in successie bezeten.

Vandaag wordt een mens niet warm of koud van deze feiten maar honderd jaar geleden leverden ze een probleem op. De Britse arts en bioloog G. Murray Levick zat er in 1911 mee zijn maag. Levick maakte deel uit van het wetenschappelijk team dat poolreiziger Robert Scott had meegenomen naar Antarctica. Levick had het sociale gedrag van de Adélie-pinguïns bij Cape Adare als studieobject gekozen.

Al snel begreep hij wat zich voor zijn ogen afspeelde. Of hij geschokt was valt te bezien, hij besprak het openlijk met Scotts officieren, maar zekerheidshalve noteerde hij een deel van zijn waarnemingen in het Grieks. De Engelse preutsheid sloeg pas toe toen hij de observaties in 1915 wilde opnemen in zijn onderzoeksverslag. Dat werd geweigerd, de vier pagina’s tekst vol sodomie en necrofilie werden alleen in kleine kring verspreid. Nooit is meer over de walgelijkheden onder pinguïns gerept, tot ze in de jaren zestig opnieuw werden beschreven. Maar onlangs doken Levicks notities weer op en afgelopen maand zijn ze in extenso afgedrukt in Polar Record. De BBC maakte er deze week melding van: „unusual sexual activities.”