Nederland moet het van Spanje hebben

Als het met de Europese economie niet goed komt, komt het met Nederland ook niet goed. Daarom is het essentieel dat landen als Spanje geholpen worden.

Redacteur Sociale Economie

Amsterdam. „Als Europa niet op orde komt, zal de Nederlandse economie in mineur blijven”, zei Job Swank, directeur van De Nederlandsche Bank (DNB), gisteren bij de presentatie van de raming van de Nederlandse economie. Want als de economie het de komende jaren ergens van moet hebben, dan is het wel van de rest van Europa. De economische groei – zo die er al is – komt louter van de export, nu Nederlandse consumenten en de overheid hun uitgaven verminderen.

Wil de grote financiële sector in Nederland niet nog een klap te verwerken krijgen, dan is het essentieel dat landen als Spanje worden geholpen. ING heeft bijvoorbeeld 45 miljard euro geleend aan en geïnvesteerd in Spanje.

Swank wilde niet ingaan op de mogelijke verliezen die Nederlandse banken kunnen lijden in Spanje. Hij noemde het herkapitaliseren van de Spaanse banken „niet optimaal, maar noodzakelijk in deze omstandigheden”. Essentieel is volgens DNB dat Europa het gevaar van kapitaalvlucht uit zwakke landen als Spanje verkleint. Die vlucht van geld zorgt voor instabiliteit in landen die het toch al moeilijk hebben. Daarom moet er een Europese bankenunie komen. Dat moet Spanjaarden het vertrouwen geven dat hun geld veilig is.

Vertrouwensherstel in Europa is cruciaal, maar binnenlands is er ook veel nodig. Want Nederlandse consumenten zijn uiterst somber, veel somberder dan andere Europeanen. Dat zorgt ervoor dat het herstel in Nederland achterblijft bij bijvoorbeeld Duitsland.

Hier ligt volgens DNB een opdracht voor de politiek. Die moet komen met geloofwaardige hervormingen voor de woningmarkt (hypotheekrenteaftrek), de arbeidsmarkt (ontslagbescherming) en de pensioenleeftijd. „Consumenten willen weten wat hun woonlasten zijn, hoe lang ze moeten doorwerken en hoe hoog hun pensioen is.” Pas dan kan het vertrouwen herstellen.

De forse daling van het vertrouwen valt niet louter de politiek te verwijten. Ook de huizenmarkt drukt de stemming én de consumptie. Sinds 2008 zijn volgens DNB de huizenprijzen met 12,5 procent gedaald. Dat heeft grote invloed op de uitgaven van huishoudens, omdat die al ruim tien jaar meer uitgeven dan ze binnenkrijgen. Ze gebruikten hun vermogen (bijvoorbeeld in de vorm van leningen op de gestegen waarde van hun huis) om hun consumptie op peil te houden. Nu de prijzen dalen, drukt dat consumptie ook sterk.

Het inkomen van huishoudens is er al een decennium lang niet op vooruit gegaan. In 2012 en 2013 komt daar nog een koopkrachtklap bij. Het reëel beschikbaar inkomen daalt in die jaren met bijna 4 procent. Daarmee zal tussen 2000 en 2013 het reëel beschikbare inkomen (het inkomen gecorrigeerd voor inflatie) van alle consumenten opgeteld niet stijgen. Swank: „Per consument is het zelfs gedaald. Het is dus geen wonder dat de consumptie ook daalt. Dat heeft niks te maken met welk Lenteakkoord dan ook.”

    • Marike Stellinga